EDDA DL 1.4 - Richtlijnen voor de Toegankelijkheid en de Gebruiksvriendelijkheid van Digitaal Educatief Lesmateriaal

In overleg met leerlingen, experts en uitgevers is bij de DEduLes-richtlijnen een volgorde aangegeven. Deze volgorde is gebaseerd op de impact en kosten van het gebruik van de richtlijnen en de frequentie waarmee ze voorkomen.  

Logo Project EDDA

Document Details

Organisaties

Auteurs

Datum: 20131212
Versie: 1.0
Status: definitief
Project: EDDA
Onderdeel: 1.4 Definitieve Set Educatieve Richtlijnen - DEduLes-richtlijnen

Project EDDA is gerealiseerd vanuit een nauwe samenwerking tussen Viziris, VIVIS-onderwijs en Dedicon en mede mogelijk gemaakt door financiële bijdragen van Dedicon en het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.


Inhoudsopgave


Samenvatting

Het doel om digitaal lesmateriaal volgens de richtlijnen toegankelijk en gebruiksvriendelijk op te leveren, is dat leerlingen met een functiebeperking deze net zo effectief kunnen gebruiken als leerlingen zonder functiebeperking. Daarmee is voldaan aan het uitgangspunt dat de leerling centraal staat.

In overleg met leerlingen, experts en uitgevers is op grond van de eerder vastgestelde lijst slimme richtlijnen voor toegankelijkheid en gebruiksvriendelijkheid van digitaal educatief lesmateriaal onderzocht wat in de onderlinge samenhang van toegankelijkheid, gebruiksvriendelijkheid en vindbaarheid, goed en optimaal per doelgroep realiseerbaar is voor bestaand educatief materiaal en voor nieuw te ontwikkelen digitale educatieve lesmaterialen. Op basis van de uitkomsten van een enquête onder leerlingen met een beperking, experts en uitgevers hebben we een prioritering opgesteld. We hebben voor de verschillende doelgroepen de impact en de frequentie van de afzonderlijke richtlijnen in beeld gebracht en ‘laaghangend fruit’ geïdentificeerd. Dit onderzoek is uitgevoerd in het kader van het project EDDA. Zie voor meer informatie www.dedicon.nl/kennisplatform-braille.

Naast de enquête zijn leermiddelen conform de richtlijnen voor de toegankelijkheid en gebruiksvriendelijkheid van digitaal educatief lesmateriaal aangepast c.q. uitgewerkt en uitgeprobeerd in de klassensituatie. Deze beide onderdelen hebben geleid tot deze definitieve set richtlijnen voor de toegankelijkheid en gebruiksvriendelijkheid van Digitaal Educatief Lesmateriaal, hierna te noemen DEduLes-richtlijnen.

De definitieve set DEduLes-richtlijnen bevat aanbevelingen ter ondersteuning van onderwijsprofessionals en -gebruikers, gericht op het verbeteren van toegankelijkheid, gebruiksvriendelijkheid en kwaliteit van digitaal lesmateriaal, berustend op (inter)nationaal door alle stakeholders vastgestelde kwaliteitseisen, aangevuld met expertise en ervaringen van digitale en didactische professionals en -gebruikers. De DEduLes-richtlijnen worden deel van de professionele standaard, bevatten normatieve uitspraken en hebben mede daardoor een juridische betekenis.

Door de gevolgde procedure is geconstateerd dat de DEduLes-richtlijnen alle direct toepasbaar zijn en digitale lesmaterialen opleveren die door leerlingen zowel met als zonder functiebeperking direct zelfstandig kunnen worden gebruikt. Om optimaal gebruik te maken van de DEduLes-richtlijnen van ontwikkelfase tot gebruik in de klas, zijn onderdelen toegevoegd die het toepassen overzichtelijker maken. Bij de productie van goed digitaal lesmateriaal zijn diverse partijen betrokken. Daarom zijn de diverse expertises beschreven waarbij uitdrukkelijk is aangegeven dat de uitgeverij, als opdrachtgever, hoofdverantwoordelijke is voor het eindproduct. Alle andere betrokken partijen dragen medeverantwoordelijkheid voor onderdelen.

Ook is er een kosten-batenanalyse opgenomen waardoor het voor alle betrokken partijen inzichtelijk is wat de kosten van een juiste toepassing zijn. Daaruit blijkt dat bij de ontwikkeling van nieuw digitaal lesmateriaal de kosten voor het voldoen aan veel richtlijnen verwaarloosbaar zijn en de impact van het toepassen hoog is.

Tijdens de try-out bleek dat er nog nauwelijks digitaal educatief lesmateriaal voor leerlingen met een functiebeperking beschikbaar is. Deze constatering is enerzijds teleurstellend maar biedt anderzijds uitstekende mogelijkheden om de achterstand in rap tempo in te halen. Bestaand materiaal toegankelijk en gebruiksvriendelijk maken (retrofitting) kost namelijk een veelvoud ten opzichte van nieuw te maken digitaal lesmateriaal. Omdat er nog weinig digitaal educatief lesmateriaal ontwikkeld is, is het aan te bevelen dat de DEduLes-richtlijnen nu zo snel mogelijk door alle betrokkenen worden geïmplementeerd.

Ook is geconstateerd dat in de overgangsfase van gedrukt naar digitaal lesmateriaal het goedkoper is om met behulp van de DEduLes-richtlijnen didactische en technische oplossingen toe te passen voor een beoogd leerdoel dan gedrukt materiaal een-op-een te digitaliseren.

Het belang van het (gaan) gebruiken van de DEduLes-richtlijnen voor alle digitale lesmaterialen is onomstotelijk vastgesteld. De fasering waarin dit kan plaatsvinden, hangt nauw samen met de uitfasering van het gedrukte lesmateriaal, de ruimte en wil voor aanpassing in de ingezette ontwikkelingstrajecten, de beschikbare kennis en vaardigheden voor de nieuw te ontwikkelen digitale lesmaterialen.

Alle betrokken partijen in de lesmateriaalketen dienen de implementatie van de DEduLes-richtlijnen krachtig in te zetten en te ondersteunen. Daartoe moeten het nut en de noodzaak van de standaard ook beter onder de aandacht worden gebracht van de besluitnemers en gebruikers.


1 Inleiding

Om goed onderwijs te kunnen geven, is het van belang dat het digitale onderwijsmateriaal en leeromgevingen voor alle leerlingen met en zonder functiebeperking toegankelijk, gebruiksvriendelijk, duurzaam en gemakkelijk vindbaar zijn. Digitale leeromgevingen, leer- en informatiesystemen, websites en applicaties zijn toegankelijk als leerlingen met een functiebeperking deze net zo effectief kunnen gebruiken als leerlingen zonder functiebeperking.

Met digitale toegankelijkheid van de educatieve leermiddelen en leeromgevingen zijn leerlingen met een functiebeperking beter in staat om zelfstandig de onderwijsroute te volgen en te voldoen aan de gestelde eisen van de eindtoetsen. Dit draagt tevens bij aan de ontwikkeling van zelfredzaamheid en participatie in de maatschappij. Toegankelijke materialen vergroten doorgaans ook direct de toegankelijkheid voor andere gebruikers zonder beperkingen.

Voor de digitale toegankelijkheid, gebruiksvriendelijkheid en vindbaarheid van webcontent en mobiele web applicaties zijn (inter)nationale richtlijnen opgesteld. De richtlijnen voor de digitale toegankelijkheid van het Web en van Web applicaties zijn internationaal vastgelegd door het World Wide Web Consortium in de Web Content Accessibility Guidelines [1], de Authoring Tool Accessibility Guidelines[2] en in ons land in de Webrichtlijnen[3]. Voor usability richtlijnen wordt veelal verwezen naar de richtlijnen voor digitale gebruiksvriendelijkheid in ISO DIS 9241-11, Guidance on usability[4].

De WCAG richtlijnen worden als voorwaarde voor toegankelijkheid van het web genoemd in het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap. Ze zijn ook onderdeel van de door Europa aangekondigde Accessibility Act. Met deze richtlijnen spelen we dus op safe en werken we met richtlijnen die overal in Europa geldig zullen zijn. We gaan in dit document uit van een beperkte subset (het zogenaamde niveau AA) zoals dat door zowel de EU, de VN als de Nederlandse regering wordt aangeraden.

In dit stuk passen we de richtlijnen toe op educatief digitaal lesmateriaal. We verwerken daarin de uitkomsten van de digitale review die we in het kader van het EDDA project hebben gehouden onder leerlingen, technische experts, begeleiders, docenten, uitgevers en redacteuren. Naast de digitale review hebben we ook een aantal leermiddelen conform de richtlijnen voor de toegankelijkheid en gebruiksvriendelijkheid van digitaal educatief lesmateriaal omgezet en uitgeprobeerd in de klassensituatie. Deze beide onderdelen hebben geleid tot deze definitieve set richtlijnen voor de toegankelijkheid en gebruiksvriendelijkheid van Digitaal Educatief Lesmateriaal, hierna te noemen DEduLes-richtlijnen.

1.1 Opzet van het document en werkwijze

In dit document wordt dus uitgegaan van de bestaande internationaal erkende richtlijnen, waarbij we vooral kijken naar de toegankelijkheidsrichtlijnen omdat die de basale toegankelijkheid voor mensen met een beperking garanderen.

In overleg met leerlingen, experts en uitgevers is op grond van de eerder vastgestelde lijst slimme richtlijnen voor toegankelijkheid van digitaal educatief lesmateriaal onderzocht wat in de onderlinge samenhang van toegankelijkheid, gebruiksvriendelijkheid en vindbaarheid, goed en optimaal per doelgroep realiseerbaar is voor de bestaand lesmateriaal en voor nieuw te ontwikkelen digitale lesmaterialen. In dit document gebruiken we daarvoor de uitkomsten van de digitale review van de richtlijnen zoals die is gehouden onder de stakeholders (leerlingen, experts en uitgevers). In de digitale review hebben we voor de verschillende doelgroepen de impact en de frequentie van de afzonderlijke richtlijnen in beeld gebracht en is ‘laaghangend fruit’ geïdentificeerd: eenvoudig op te lossen problemen. In de digitale review hebben we de volgende vragen gesteld:

  1. Wat is de impact van een richtlijn op mensen met een visuele beperking?
  2. Wat is de aanwezigheidsfrequentie per richtlijn?
  3. Wat is mogelijk laaghangend fruit en wat kost meer tijd en geld?

De resultaten van die digitale review zijn verwerkt in dit document, zie hoofdstuk 4 en 5. Dat leidt tot een helder overzicht van de richtlijnen, de impact van die richtlijnen, de frequentie en de kosten om die richtlijn toe te passen. Op grond van de lijst in paragraaf 5.1 kunnen uitgevers:

  • Beter vaststellen wat voor hen laaghangend fruit is dat wellicht op kortere termijn zou kunnen worden aangepast in bestaande digitale leermiddelen
  • Bij toekomstige opdrachten voor digitale leermiddelen zien waaraan die materialen moeten voldoen om voor iedereen toegankelijk te zijn en dit opnemen in de opdrachtverstrekking
  • Besluiten wat prioriteit heeft bij het werken aan toegankelijkheid
  • Zien welke richtlijnen nog kostbaar zijn om toe te passen in digitale leermiddelen

In de DEduLes-richtlijnen is een belangrijk uitgangspunt dat er gelaagd gebouwd wordt ( progressive enhancement). Daardoor is het niet nodig om voor verschillende doelgroepen, platformen en apparaten verschillende producten te maken. Dat scheelt tijd en geld.

1.2 Betrokken partijen

Voor de ontwikkeling van toegankelijk digitaal educatief lesmateriaal zijn verschillende expertises nodig. Er is bij de ontwikkeling altijd een aantal personen betrokken, onderscheiden naar opdrachtgever, web ontwerper, web ontwikkelaar, web redacteur, educatief en didactisch ontwikkelaar van een vak- en vormingsgebied, gebruikers. De didactische component is binnen het project EDDA door andere partners uitgewerkt. In bijlage 2 is een overzicht opgenomen waarin per betrokken partij wordt aangegeven met welke voorwaarden men rekening moet houden bij zowel de ontwikkeling als de aanschaf. De voorwaarden zijn een bewerking van de voorwaarden die nauw zijn gekoppeld aan het Toepassingskader voor Webrichtlijnen versie 2.

1.3 Goede inkoopvoorwaarden is het halve werk

Uit ervaring blijkt dat de eenvoudigste manier om de technische toegankelijkheid voor een breder publiek te implementeren voorafgaat aan de werkelijke productie van het digitale materiaal. Het gaat om het geven van de juiste opdracht aan de bouwer.

De Amerikaanse overheid heeft geconstateerd dat het stellen van goede eisen voorafgaand aan de productie meer effect heeft dan wetgeving. Ook de Rijksoverheid heeft de ervaring dat het maken van goede contractafspraken voorafgaand aan de productie bijdraagt aan succesvolle toepassing. Daarom is aan deze set richtlijnen bijlage 5 toegevoegd met daarin concept inkoopvoorwaarden voor toegankelijke Web applicaties en Websites. Die voorwaarden zijn een bewerking van de voorwaarden die door de Vereniging Nederlandse Gemeenten zijn geleverd aan gemeenten.

1.4 Mobiele applicaties

Er zijn verschillende soorten mobiele applicaties. Behalve web gebaseerde applicaties die vaak ook op de computer werken zijn er ook zogenaamde ‘native’ applicaties voor het mobiele platform (iOS, Android, WindowsMobile, Symbian etc.). De richtlijnen in dit document gaan over (mobiele) web applicaties en websites die via PC, Mac, Tablet of Mobiel toestel te benaderen zijn. Daaronder vallen ook documenten die via die websites of applicaties worden aangeboden. Zie ook de paragraaf “PDF en andere documenten”.

Native applicaties worden hier niet besproken omdat die sterk afhankelijk zijn van het platform en versies van de software die daarop gebruikt wordt. Voor native en hybride applicaties zijn veelal richtlijnen voor toegankelijkheid beschikbaar bij de verschillende fabrikanten. Een aantal relevante links is te vinden in bijlage 3, Toegankelijkheid van Native Apps.

Voor (mobiele) web applicaties en websites zijn de in dit document aangeboden DEDules-richtlijnen (op basis van WCAG2.0) bruikbaar. Die richtlijnen omvatten ook (mobiele) websites en (mobiele) web applicaties en alle technologieën die daarbij worden gebruikt.

1.5 PDF en andere documenten

PDF en andere documenten zoals Word en Open Office documenten die via websites of (mobiele) applicaties worden aangeboden, vallen ook onder de WCAG richtlijnen. Dat wil zeggen dat ze toegankelijk zullen moeten zijn volgens de WCAG richtlijnen, en dus ook volgens de richtlijnen in dit document. Voor PDF wil dat zeggen dat de tekst beschikbaar moet zijn, maar ook dat er een alternatief of extra uitleg wordt aangeboden voor elementen zoals afbeeldingen, tabellen etc. In veel gevallen is het niet lastig om toegankelijke PDF documenten te maken als er van te voren al rekening mee wordt gehouden. Het achteraf ‘taggen’ van PDF kost meer tijd. Daarbij is voor de toegankelijkheid echter ook de didactische doelstelling van belang. Wat wil de auteursinstructie met de afbeelding bereiken en wat is dan een toegankelijk alternatief? Vervolgens is het interessant om te zien dat het toegankelijke alternatief voor iedereen bruikbaar is.

PDF kent meerdere varianten die niet allemaal toegankelijkheid ondersteunen. Over het algemeen wordt aangeraden om als basis gebruik te maken van reeds op toegankelijkheid voorbereide basis documenten (templates). Het is met een goed opgemaakt Worddocument niet ingewikkeld om een toegankelijke PDF te genereren. Er zijn ook varianten van PDF die zijn gescand als afbeelding. Bijvoorbeeld als een document via een kopieermachine wordt gescand en verstuurd. De tekst in die documenten is meestal niet selecteerbaar. Schermleesprogramma’s voor bijvoorbeeld blinden zien alleen een plaatje en geen tekst. Die documenten zijn dan niet toegankelijk en meestal ook niet gemakkelijk toegankelijk te maken.


2 Opbouw van webrichtlijnen versie 2

We kijken in dit document naar versie 2 van de internationale webrichtlijnen, beter bekend als de Web Content Accessibility Guidelines (WCAG2.0). Die bestaan uit richtlijnen voor toegankelijkheid van web content ingedeeld in drie niveaus van toegankelijkheid (A, AA en AAA), zie bijlage 1. Ze bevatten een groot aantal aanbevelingen om web content en applicaties toegankelijker te maken. Onder de definitie van web content vallen ook web applicaties en mobiele toepassingen. Het definieert hoe je web content toegankelijker maakt voor mensen met een functiebeperking en dus voor iedereen.

Schema Opbouw van webrichtlijnen versie 2

Sla beschrijving van Schema Opbouw van webrichtlijnen versie 2 over
De Internationale Richtlijnen voor toegankelijkheid: WCAG versie 2, hebben drie niveaus: niveau AAA (hoogste niveau), niveau AA (aangeraden door VN en EU) en niveau A (minimale richtlijnen voor apparatuur toegankelijkheid).

Het volgen en toepassen van deze richtlijnen zal content toegankelijk maken voor een breed publiek inclusief een scala van functiebeperkingen, waaronder visuele, auditieve, fysieke, spraak-, cognitieve, taal-, leer- en neurologische functiebeperkingen. Hoewel deze richtlijnen een breed scala van aandachtspunten bestrijken, zijn ze niet in staat om in de behoeften van mensen met alle soorten, gradaties en combinaties van functiebeperkingen te voorzien.

Webtoegankelijkheid hangt niet alleen af van de toegankelijkheid van content maar ook van de toegankelijkheid van webbrowsers en andere user agents. Authoring tools hebben ook een belangrijke rol in webtoegankelijkheid. Voor zowel authoring tools als voor user agents (zoals browsers, video spelers, multimedia spelers, etc.) bestaan daarom aparte richtlijnen die betrokken moeten worden als er sprake is van invoer van gegevens in bijvoorbeeld een Elektronische Leer Omgeving (ELO). Die richtlijnen zijn beschikbaar op de website van het World Wide Web Consortium (W3C) [5].

Om aan de verschillende behoeften van de betrokken partijen te voldoen, worden verschillende lagen van advies geleverd, waaronder globale principes, algemene richtlijnen, toetsbare succescriteria en een uitgebreide verzameling afdoende technieken, aanbevolen technieken en gedocumenteerde gangbare fouten met voorbeelden, links naar hulpmiddelen en broncode.

  • Principes – De richtlijnen omvatten vier principes die het fundament voor webtoegankelijkheid en duurzaamheid leveren: waarneembaar, bedienbaar, begrijpelijk en robuust. De Nederlandse overheid heeft daaraan nog een vijfde toegevoegd voor kwaliteit: betekenisvolle duurzame content.
  • Richtlijnen - Onder de principes vallen richtlijnen. Deze 22 richtlijnen vormen de hoofddoelen die auteurs moeten nastreven om content toegankelijker te maken voor gebruikers met verschillende functiebeperkingen. De richtlijnen leveren het kader en de algemene doelen om hen te helpen de succescriteria te begrijpen en de technieken beter te implementeren.
  • Succescriteria - Elke richtlijn is voorzien van toetsbare succescriteria, zodat webrichtlijnen gebruikt kan worden waar vereisten en toetsen op conformiteit noodzakelijk zijn, zoals bij het specificeren van het ontwerp, inkoop, regulering en contractuele overeenkomsten. Om aan de behoeften van verschillende groepen en verschillende situaties te voldoen, zijn drie niveaus van conformiteit gedefinieerd: A (laagst), AA, en AAA (hoogst).
  • Afdoende en aanbevolen technieken - Voor elk van de richtlijnen en succescriteria in het webrichtlijnen document is een breed scala van technieken gedocumenteerd. De technieken zijn informatief en vallen onder twee categorieën: zij die afdoende zijn om aan de succescriteria te voldoen en zij die aanbevolen zijn. De aanbevolen technieken gaan verder dan wat vanuit de individuele succescriteria wordt geëist en maken het auteurs mogelijk zich beter aan de richtlijnen te houden. Sommige aanbevolen technieken richten zich op toegankelijkheidsbarrières die niet afgedekt worden door de testbare succescriteria. Waar gangbare fouten bekend zijn, worden die ook gedocumenteerd.

De gelaagde adviezen (principes, richtlijnen, succescriteria en afdoende en aanbevolen technieken) leveren samen een compleet advies over het toegankelijk maken van content. Auteurs worden aangemoedigd om alle lagen te bekijken en toe te passen indien mogelijk, met inbegrip van de aanbevolen technieken, om zich optimaal te richten op de behoeften van een zo groot mogelijke groep gebruikers of een zeer gespecificeerde gebruikersdoelgroep.

Belemmeringen bij ontoegankelijkheid

Tegen welke belemmeringen lopen leerlingen met een (tijdelijke) functiebeperking aan op ontoegankelijk gebouwde websites, leeromgevingen en studie-informatiesystemen?

  • Blind: Blinde leerlingen gebruiken hun eigen brailleleesregel of voorleessoftware om de inhoud te ‘lezen’. Alles wat niet in tekst wordt weergegeven of waarvoor geen (voor anderen verborgen) tekstalternatief beschikbaar is, missen zij (afbeeldingen, tabellen, plaatjes, videobeelden, knoppen, flash-animaties). De website moet ook alleen met het toetsenbord te gebruiken zijn. Een blinde kan geen cursor zien en dus geen muis gebruiken.
  • Slechtziend: Slechtziende leerlingen vergroten de teksten of laten de inhoud voorlezen door een schermlezer. Voor hen is een goed contrast van belang. Voor leerlingen met kleurenblindheid is het belangrijk dat informatie in tabellen, legenda en grafieken niet afhankelijk is van kleuren.
  • Doof of slechthorend: Voor dove en slechthorende leerlingen moet alles wat via geluid wordt gecommuniceerd, ook op een andere manier weergegeven worden. Bij video’s bijvoorbeeld via ondertiteling of in de Nederlandse gebarentaal. Voor doofgeborenen is Nederlands niet de moedertaal, dus begrijpelijke tekst is voor hen heel belangrijk.
  • Autisme, ADHD, cognitieve beperkingen: Bewegende beelden en drukke pagina’s leiden af en verstoren de concentratie. Deze leerlingen zijn gebaat bij rustige webpagina’s, duidelijke teksten en een heldere structuur.
  • Dyslexie: Grote stukken tekst zorgen voor problemen bij leerlingen met dyslexie. Zij gebruiken soms voorleessoftware. Ook zijn zij geholpen met koppenmarkering, een juist letterfont en gebruik van beeld, tabellen en video.
  • Motorische beperking: Leerlingen met een motorische beperkinggebruiken het toetsenbord en/of hulpmiddelen om websites te gebruiken. Voor hen is het belangrijk dat navigatie, links en knoppen zonder muis te bedienen zijn.

3 Onderzoek naar impact, frequentie en kosten

We hebben op basis van de eerder binnen EDDA vastgestelde slimme set richtlijnen een digitale review uitgevoerd bij de doelgroepen (leerlingen, experts en uitgevers). Daarin is onderzocht:

  • De impact van een richtlijn op de toegankelijkheid van digitale leermiddelen voor leerlingen met een visuele beperking (volgens leerlingen en expert)
  • De frequentie dat een richtlijn voor komt (volgens leerlinge, experts en uitgevers)
  • De kosten om leermiddelen aan deze richtlijn te laten voldoen (volgens experts en uitgevers)

Het maken van de enquête was lastig omdat de richtlijnen meestal erg technisch zijn en niet iedereen begrippen als html, code validatie enz. begrijpt. De richtlijnen zijn voor de digitale review daarom vereenvoudigd om beter aan te sluiten bij niet technisch onderlegde mensen. Er zijn drie vragenlijsten opgesteld voor:

  • Leerlingen
  • Experts op het gebied van toegankelijkheid
  • Uitgevers en redacteuren (inclusief mogelijke webdevelopers van uitgevers)

De vragenlijsten bestonden uit een serie algemene vragen en specifieke vragen over de richtlijnen die via SurveyMonkey in enquêtevorm zijn aangeboden. Voor de drie doelgroepen zijn bij elke richtlijn verschillende vragen gesteld. Hieronder staat als voorbeeld een richtlijn met daaronder de aangepaste beschrijving voor de enquête.

Originele richtlijn tekst: “2.3.1 Drie flitsen of beneden drempelwaarde: Webpagina's bevatten niets wat meer dan drie keer flitst in enige periode van één seconde of de flits is beneden de algemene flits- en rodeflitsdrempelwaarden. (Niveau A)” [6]

Aangepaste tekst (richtlijn): “Mensen met epilepsie kunnen een aanval krijgen van snel flitsende beelden. Daarom mogen beelden en andere elementen op een pagina niet meer dan drie flitsen per seconde bevatten.”

Vervolgens werd per richtlijn een aantal vragen gesteld. Voor de antwoorden kon worden gekozen uit: helemaal mee oneens - mee oneens - neutraal - mee eens - helemaal mee eens. Hieronder de vragen die per richtlijn aan de genoemde doelgroep zijn gesteld:

Leerlingen:

  • Dit kom ik vaak tegen
  • Als er niet aan deze richtlijn wordt voldaan is dat voor mij geen probleem (vraag vervallen)
  • Voor mensen met een (visuele) beperking is de impact van het niet voldoen aan deze richtlijn groot

Toegankelijkheidsexperts:

  • Deze richtlijn zal vaak van toepassing zijn op bestaand of te ontwikkelen lesmateriaal
  • Het is technisch erg moeilijk deze richtlijn toe te passen
  • Voor mensen met een (visuele) beperking is de impact van het niet voldoen aan deze richtlijn groot
  • Het toepassen van deze richtlijn kost erg veel extra tijd (en geld) bij de ontwikkeling

Uitgevers en redacteuren:

  • Deze richtlijn zal vaak van toepassing zijn op bestaand of te ontwikkelen lesmateriaal
  • Het toepassen van deze richtlijn kost erg veel extra tijd (en geld) bij de ontwikkeling
  • Het toepassen van deze richtlijn kost mij als uitgever extra tijd (en dus geld) bij het maken van de methode

De enquête is in totaal vijf maanden online geweest en er zijn vanuit het EDDA project verschillende oproepen gedaan om mensen te stimuleren de vragen door te lopen. Dat was niet altijd even gemakkelijk. Veel van de richtlijnen zijn technisch en ingewikkeld en vooral bij de leerlingen was extra uitleg nodig en zijn we langsgegaan in de school om de vragen met ze door te nemen. Ook bleek dat een van de vragen voor de leerlingen ingewikkeld was gesteld waardoor de antwoorden onbetrouwbaar waren (“Als er niet aan deze richtlijn wordt voldaan is dat voor mij geen probleem”). Die vraag hebben we daarom laten vervallen.

Uit de gesprekken met de leerlingen blijkt vooral dat er nog maar weinig digitaal lesmateriaal wordt gebruikt. Terwijl de leerlingen bijna allemaal zeer actief zijn op het web is het toegankelijke lesmateriaal dat ze gebruiken nog steeds beperkt tot speciaal aangepaste digitale (maar statische) Word- en PDF documenten. Ook uit gesprekken met de uitgevers blijkt dat er nog maar weinig digitaal lesmateriaal beschikbaar is. Dit wordt naar zeggen voornamelijk veroorzaakt door de geringe penetratie van computers/tablets in het onderwijs.

Totaal ontvingen we 39 reacties op de enquête van experts (17), uitgevers en redacteuren (14) en van leerlingen (8). Van de leerlingen gaf 37,5% aan blind te zijn en gebruik te maken van braille en/of spraak. Van de groep uitgevers en redacteuren/uitgevers was 50% alleen uitgever, 21,4% was content ontwikkelaar (redactie) en 28,6% beide. Omdat van de leerlingen maar een gering aantal alle vragen van de enquête heeft beantwoord, hebben we met hen nog apart gesproken en de vragen met ze doorgenomen.

De scores bestaan uit gemiddelden waarbij er als volgt is geteld:

Telling van de scores
ScorePunten
Helemaal mee oneens - 2
Mee oneens - 1
Neutraal 0
Mee eens + 1
Helemaal mee eens + 2

In het volgende hoofdstuk zetten we de richtlijnen en de scores op een rij.


4 Richtlijnen Digitaal Educatief Lesmateriaal - DEduLes-richtlijnen

Op basis van het onderzoek (digitale review) is uit de richtlijnen voor webapplicaties en webcontent, zoals die internationaal zijn vastgesteld door W3C (WCAG 2.0 richtlijnen) en Nederlandse overheid (webrichtlijnen 2.0), een set opgesteld waarmee de toegankelijkheid, gebruiksvriendelijkheid en vindbaarheid is geborgd en ook kan worden getoetst. In dit hoofdstuk zetten we de richtlijnen voor digitaal educatief lesmateriaal op een rij op grond van impact en kosten.

Op grond van de uitkomsten van de digitale review die is uitgevoerd voor het EDDA project geven we per richtlijn aan:

  • De impact van een richtlijn op de toegankelijkheid van digitale leermiddelen voor leerlingen met een visuele beperking (volgens leerlingen en expert)
  • De frequentie dat een richtlijn voor komt (volgens leerlingen, experts en uitgevers)
  • De kosten om leermiddelen aan deze richtlijn te laten voldoen (volgens experts en uitgevers)

4.1 Prioritering op grond van impact en kosten

Op grond van de eerste set slimme educatieve richtlijnen, de daarop uitgevoerde digitale review en de test met volgens de richtlijnen omgezette hoofdstukken van een aantal methoden is een prioritering voorgesteld die uitgaat van de verhouding kosten/baten, zie bijlage 7. We kijken dan naar de richtlijnen met de grootste impact op de toegankelijkheid en met verhoudingsgewijs lage kosten om aan te passen.

Prioritering van de educatieve richtlijnen op grond van de impact (gemiddelde score van experts en leerlingen), de kosten (gemiddelde score van experts en uitgevers), het verschil tussen impact en kosten en de frequentie (gemiddelde score van leerlingen, experts en uitgevers)
Nr.Richtlijn ToegankelijkheidRichtlijn GebruiksvriendelijkheidImpactKostenVerschilFrequentie
1Labels of instructies   1,59 -0,18 1,77 0,97
  3.3.2 Labels of instructies: Als de content gebruikersinvoer vereist, dan worden labels of instructies geleverd. (Niveau A)
  • 5 Voorkom door het ontwerp gebruikersfouten
  • 9 Zorg voor heldere instructieve foutberichten waardoor de gebruiker zelf het probleem kan oplossen
  • 10 Zorg voor makkelijk vindbare en begrijpelijke helpdocumentatie
       
2Bij invoer in een formulier   1,46 -0,22 1,67 0,00
  3.2.2 Bij input: Verandering van de instelling van een component van de gebruikersinterface veroorzaakt niet automatisch een contextwijziging tenzij de gebruiker geïnformeerd is over het gedrag vóór het gebruik van dit component. (Niveau A) 4 Gebruik alle functies en definities consistent        
3Naam, rol of waarde   1,33 -0,18 1,51 1,08
  4.1.2 Naam, rol, waarde: Voor alle componenten van de gebruikersinterface (inclusief, maar niet uitsluitend voor formulierelementen, links en door scripts gegenereerde componenten), kunnen de naam ( name) en rol (role), door software bepaald worden; toestanden (states), eigenschappen (properties) en waarden (values) die door de gebruiker ingesteld kunnen worden kunnen door software bepaald worden; en kennisgeving van veranderingen in deze items is beschikbaar voor user agents, met inbegrip van hulptechnologieën. (Niveau A)
  • 1 Maak zichtbaar wat gebeurt
  • 4 Gebruik alle functies en definities consistent
  • 7 Zorg voor flexibele en efficiënte gebruiksmogelijkheden
       
4Timing aanpasbaar   1,43 -0,04 1,47 0,26
  2.2.1 Timing aanpasbaar: Voor elke tijdslimiet die door de content wordt ingesteld geldt ten minste een van de volgende zaken: (Niveau A) 7 Zorg voor flexibele en efficiënte gebruiksmogelijkheden        
5Fout indicatie   1,21 -0,19 1,40 0,73
  3.3.1 Fout identificatie: Als een invoerfout automatisch ontdekt wordt, dan wordt het onderdeel waar de fout zit geïdentificeerd en de fout wordt tekstueel aan de gebruiker meegedeeld. (Niveau A)
  • 5 Voorkom door het ontwerp gebruikersfouten
  • 9 Zorg voor heldere instructieve foutberichten waardoor de gebruiker zelf het probleem kan oplossen
  • 10 Zorg voor makkelijk vindbare en begrijpelijke helpdocumentatie
       
6Toetsenbord bereikbaarheid functies   1,65 0,26 1,39 0,92
  2.1.1 Toetsenbord: Alle functionaliteit van de content is bedienbaar via een toetsenbordinterface zonder dat afzonderlijke toetsaanslagen aan tijd gebonden zijn, behalve als de onderliggende functie een invoer vereist die afhangt van het pad dat de gebruiker aflegt en niet alleen van de eindpunten. (Niveau A)
  • 3 Zorg voor een directie herstelfunctie
  • 4 Gebruik alle functies en definities consistent
    7 Zorg voor flexibele en efficiënte gebruiksmogelijkheden
  • 10 Zorg voor makkelijk vindbare en begrijpelijke helpdocumentatie
       
7Geen toetsenbordval   1,33 0,06 1,27 0,73
  2.1.2 Geen toetsenbordval: Als de toetsenbordfocus met de toetsenbordinterface verplaatst kan worden naar een component van de pagina, dan kan de focus ook met alleen de toetsenbordinterface weer van dat component weg worden bewogen, en, als er meer nodig is dan de standaard pijl- of tabtoetsen of andere standaard methoden om de focus te

  • 3 Zorg voor een directie herstelfunctie
  • 4 Gebruik alle functies en definities consistent
  • 7 Zorg voor flexibele en efficiënte gebruiksmogelijkheden
  • 10 Zorg voor makkelijk vindbare en begrijpelijke helpdocumentatie
       
8Focus volgorde   1,30 0,06 1,24 0,83
  2.4.3 Focus volgorde: Als een webpagina sequentieel genavigeerd kan worden en de navigatiesequenties hebben invloed op de betekenis of het gebruik, dan krijgen focusbare componenten de focus in de juiste volgorde waardoor betekenis en bedienbaarheid behouden blijft. (Niveau A)
  • 1 Maak zichtbaar wat gebeurt
  • 5 Voorkom door het ontwerp gebruikersfouten
  • 7 Zorg voor flexibele en efficiënte gebruiksmogelijkheden
  • 9 Zorg voor heldere instructieve foutberichten waardoor de gebruiker zelf het probleem kan oplossen
       
9Focus   1,15 -0,10 1,24 0,07
  3.2.1 Bij focus: Als een component de focus krijgt, dan veroorzaakt dat geen contextwijziging. (Niveau A) 4 Gebruik alle functies en definities consistent        
10Pagina titel   1,02 -0,22 1,23 1,16
  2.4.2 Webpagina's hebben titels die het onderwerp of doel beschrijven. (Niveau A)
  • 1 Maak zichtbaar wat gebeurt
  • 5 Voorkom door het ontwerp gebruikersfouten
  • 7 Zorg voor flexibele en efficiënte gebruiksmogelijkheden
  • 9 Zorg voor heldere instructieve foutberichten waardoor de gebruiker zelf het probleem kan oplossen
       
11Linkdoel in Context   1,06 -0,09 1,15 1,20
  2.4.4 Linkdoel (in context): Het doel van elke link kan bepaald worden uit enkel de linktekst of uit de linktekst samen met zijn door software bepaalde linkcontext, behalve daar waar het doel van de link een dubbelzinnige betekenis zou kunnen hebben voor gebruikers in het algemeen. (Niveau A)
  • 1 Maak zichtbaar wat gebeurt
  • 5 Voorkom door het ontwerp gebruikersfouten
  • 7 Zorg voor flexibele en efficiënte gebruiksmogelijkheden
  • 9 Zorg voor heldere instructieve foutberichten waardoor de gebruiker zelf het probleem kan oplossen
       
12Betekenisvolle volgorde   1,33 0,22 1,11 0,93
  1.3.2 Betekenisvolle volgorde: Als de volgorde waarin content wordt gepresenteerd van invloed is op zijn betekenis, kan een betekenisvolle leesvolgorde door software bepaald worden. (Niveau A) 6 Maak een eenduidige instructiestructuur die overal beschikbaar is        
13Parsen   1,06 0,05 1,02 0,66
  4.1.1 Parsen: In content die geïmplementeerd is met opmaaktalen hebben elementen volledige begin- en eindtags, zijn elementen genest volgens hun specificatie, bevatten elementen geen dubbele attributen en zijn alle ID's uniek, behalve waar de specificatie deze eigenschappen toelaat. (Niveau A)
  • 1 Maak zichtbaar wat gebeurt
  • 4 Gebruik alle functies en definities consistent
  • 7 Zorg voor flexibele en efficiënte gebruiksmogelijkheden
       
14Info en relaties   1,23 0,29 0,94 1,24
  1.3.1 Info en relaties: Informatie, structuur, en relaties overgebracht door presentatie kunnen door software bepaald worden of zijn beschikbaar in tekst. (Niveau A) 6 Maak een eenduidige instructiestructuur die overal beschikbaar is        
15Gebruik van kleur   0,90 -0,03 0,93 0,85
  1.4.1 Gebruik van kleur: Kleur wordt niet als het enige visuele middel gebruikt om informatie over te brengen, een actie aan te geven, tot een reactie op te roepen of een visueel element te onderscheiden. (Niveau A)
  • 2 Stem volgorde en taal af op de gebruiker
  • 3 Zorg voor een directie herstelfunctie
  • 8 Bied enkel relevante informatie
       
16Blokken omzeilen   1,05 0,28 0,77 1,18
  2.4.1 Blokken omzeilen: Er is een mechanisme beschikbaar om blokken content die op meerdere webpagina's worden herhaald te omzeilen. (Niveau A)
  • Maak zichtbaar wat gebeurt
  • 5 Voorkom door het ontwerp gebruikersfouten
  • 7 Zorg voor flexibele en efficiënte gebruiksmogelijkheden
  • 9 Zorg voor heldere instructieve foutberichten waardoor de gebruiker zelf het probleem kan oplossen
       
17Pauzeren, stoppen, verbergen   0,56 -0,12 0,68 0,13
  2.2.2 Pauzeren, stoppen, verbergen: Voor alle bewegende, knipperende, scrollende of automatisch actualiserende informatie gelden alle volgende zaken: (Niveau A) 7 Zorg voor flexibele en efficiënte gebruiksmogelijkheden        
18Louter geluid en louter videobeeld   1,26 0,70 0,56 0,49
  1.2.1 Louter-geluid en louter-videobeeld (vooraf opgenomen): Lever een alternatief voor media met vooraf opgenomen louter-geluid en vooraf opgenomen louter-videobeeld, behalve als de audio of video een media-alternatief voor tekst is en duidelijk als zodanig is gelabeld. (Niveau A) 2 Stem volgorde en taal af op de gebruiker        
19Taal van pagina   0,25 -0,16 0,41 -0,16
  3.1.1 Taal van de pagina: De standaard menselijke taal van elke webpagina kan door software bepaald worden. (Niveau A)
  • 2 Stem volgorde en taal af op de gebruiker
  • 4 Gebruik alle functies en definities consistent
  • 9 Zorg voor heldere instructieve foutberichten waardoor de gebruiker zelf het probleem kan oplossen
       
20Zintuiglijke eigenschappen   0,90 0,50 0,40 1,00
  1.3.3 Zintuiglijke eigenschappen: Instructies die geleverd worden om content te begrijpen en te bedienen zijn niet alleen afhankelijk van zintuiglijke eigenschappen van componenten zoals vorm, omvang, visuele locatie, oriëntatie of geluid. (Niveau A) 6 Maak een eenduidige instructiestructuur die overal beschikbaar is        
21Ondertiteling voor doven en sh   0,73 0,41 0,33 0,43
  1.2.2 Ondertiteling voor doven en slechthorenden (vooraf opgenomen): Er worden ondertitels voor doven en slechthorenden geleverd voor alle vooraf opgenomen audiocontent in gesynchroniseerde media, behalve als het mediabestand een media-alternatief is voor tekst en duidelijk als zodanig is gelabeld. (Niveau A) 2 Stem volgorde en taal af op de gebruiker        
22Geluidsbediening   0,44 0,12 0,33 -0,05
  1.4.2 Geluidsbediening: Als een geluidsweergave op een webpagina automatisch meer dan 3 seconden speelt, is er of een mechanisme beschikbaar om de geluidsweergave te pauzeren of te stoppen, of er is een mechanisme beschikbaar om het geluidsvolume onafhankelijk van het overall systeemvolume te regelen. (Niveau A)
  • 2 Stem volgorde en taal af op de gebruiker
  • 3 Zorg voor een directie herstelfunctie
  • 8 Bied enkel relevante informatie
       
23Tekstuele content   0,93 0,71 0,22 0,80
  1.1.1 Niet-tekstuele content: Alle niet-tekstuele content die aan de gebruiker wordt gepresenteerd, heeft een tekstalternatief dat een gelijkwaardig doel dient. (Niveau A) 1 Maak zichtbaar wat gebeurt        
24Audio descriptie voor video   0,81 0,68 0,14 0,14
  1.2.3 Audiodescriptie of media-alternatief (vooraf opgenomen): Er wordt een alternatief voor op tijd gebaseerde media of audiodescriptie van de vooraf opgenomen videocontent geleverd voor gesynchroniseerde media, behalve als het mediabestand een media-alternatief is voor tekst en duidelijk als zodanig is gelabeld. (Niveau A) 2 Stem volgorde en taal af op de gebruiker        
25Niet meer dan 3 flitsen per seconde   -0,61 -0,37 -0,24 -0,34
  2.3.1 Drie flitsen of beneden drempelwaarde: Webpagina's bevatten niets wat meer dan drie keer flitst in enige periode van één seconde of de flits is beneden de algemene flits- en rodeflitsdrempelwaarden (Niveau A)          

Voor de impact zijn we uitgegaan van het gemiddelde van de waarden die zijn aangeven door leerlingen en experts. Voor de kosten hebben we het gemiddelde genomen van de waarden zoals die zijn aangegeven door de experts en de uitgevers/redacteuren. Het verschil tussen die twee waarden is berekend en als uitgangspunt genomen voor een prioriteitenlijst. Ernaast staat de gemiddelde frequentie van het probleem zoals dat wordt aangegeven door leerlingen, experts en uitgevers/redacteuren (gemiddelde waarde over de drie stakeholdergroepen). Over het algemeen geven de uitgevers aan dat werkzaamheden voor toegankelijkheid extra tijd en inspanning kosten en verwachten ze in alle gevallen meer kosten dan de experts.

4.2 Toegankelijkheid en gebruikersvriendelijkheid

In de DEduLes-richtlijnen zijn de richtlijnen voor toegankelijkheid en gebruiksvriendelijkheid samengevoegd. In deze paragraaf, die relevant is voor ontwikkelaars, wordt ingegaan op wat onder gebruiksvriendelijkheid wordt verstaan. Vervolgens wordt kort iets uitgelegd over het gebruik en de bruikbaarheid, de gebruiksvaardigheid en het gebruikersprofiel. Het gebruikersprofiel blind/slechtziend is nader uitgewerkt.

4.2.1 Gebruiksvriendelijk en bruikbaar

Voor usability zijn aparte richtlijnen die voor toegankelijkheid niet verplicht zijn, zie bijlage 6.

Nigel Bevan schrijft over standaarden en de relatie met usability dat ze gecategoriseerd kunnen worden als “ primarily concerned with [7]”:

  1. The use of the product (effectiveness, efficiency and satisfaction in a particular context of use).
  2. The user interface and interaction.
  3. The process used to develop the product.
  4. The capability of an organisation to apply user centred design.

Usability kan in het Nederlands het beste vertaald worden met gebruiksvriendelijkheid en bruikbaarheid.

De International Standards Organization (ISO) definieert usability als de mate waarin een product door bepaalde gebruikers in een bepaalde gebruikersomgeving kan worden gebruikt om bepaalde doelen effectief, efficiënt en naar tevredenheid te bereiken.

In het algemeen kun je zeggen dat het erom gaat dat een site doet wat zij moet doen. Dat de site efficiënt, adequaat, effectief en intuïtief antwoord geeft op de vraag van de gebruiker. En dat de gebruiker daarna tevreden is.

In de term usability zijn een aantal andere woorden te herkennen, namelijk:

  • use, het gebruik of de bruikbaarheid
  • ability, het kunnen tonen van of het uitvoeren van een vaardigheid

4.2.2 Het gebruik en de bruikbaarheid

Vanuit het gebruik is een website, een verzameling van webpagina’s, een logisch samenhangend geheel. Dit wordt duidelijk op het niveau van de website en op het niveau van een webpagina.

Op het niveau van de website gaat het om een duidelijke architectuur, navigatiestructuur, zoekfunctie en interactiemogelijkheden.

Houd voor de architectuur rekening met:

  • Homepage design, is dit afwijkend t.o.v. de andere pagina’s
  • Korte logische paden
  • Alle onderdelen zijn bereikbaar vanaf de homepage
  • Duidelijke mappenstructuur

voor de navigatie:

  • Link home is aanwezig op alle andere pagina’s
  • Primaire navigatie op alle pagina’s
  • Juiste verwijzing van hyperlinks
  • Duidelijke indicaties waar de gebruiker zich bevindt
  • Duidelijke ordening
  • Eenduidige vormgeving

voor het zoeken:

  • Op iedere pagina is de zoekfunctie aanwezig
  • Tekstvak is voldoende ruim
  • De eenduidigheid van een opschrift van iedere functie

voor de interactie:

  • De aanwezigheid van een Hyperlink voor contact
  • Belangrijke interactie-elementen als login, zoeken, feedback en reactiewijzen, deze staan op de homepage

Op het niveau van de webpagina gaat het om duidelijke opmaak, snelheid, afbeeldingen, multimedia.

Houd voor de opmaak rekening met:

  • Herkenbare vormgeving
  • Schreefloze letter
  • Logische groepering van tekst en beeld
  • Witruimte rond tekst en beeld
  • Schaalbaarheid van tekst en beeld

voor de snelheid:

  • Omvang van een pagina < 50 kB
  • Optimalisatie van opmaakcode, afbeeldingen en tabellen

voor de afbeeldingen:

  • De paginaoppervlakte > 5 %
  • Het voorzien van tekstlabels, alttekst en dimensies (height, width)
  • Gecomprimeerd en volledig (= geen gebroken afbeelding)

voor de multimedia:

  • Functie
  • Heldere uitleg over het gebruik
  • Met audio/videoformaat

4.2.3 Gebruiksvaardigheid & gebruikersprofiel

De gebruiksvaardigheid is afhankelijk van een goed ontworpen website/webpagina en van de fysiek mogelijke vaardigheden van een gebruiker. Op grond van de ability en disability dient een website van compenserende onderdelen te zijn voorzien zodat in redelijkheid iedereen de website kan benutten. Waar de website wordt gebruikt, is usability van belang, maar ook de ergonomie. De Nederlandse Vereniging voor Ergonomie hanteert als definitie: Ergonomie tracht op basis van kennis omtrent de anatomische, fysiologische en psychologische kenmerken van de mens, om producten, technische systemen, taken en functies zodanig te ontwerpen dat de veiligheid, gezondheid en het welzijn van de mens gewaarborgd is en doelmatig functioneren wordt bevorderd.

Voor het vaststellen van de vaardigheden en ergonomische inzichten wordt binnen de context van DEduLes-richtlijnen de geldende clusterindeling van het onderwijs gevolgd. Zoals voor het onderwijs in het algemeen en het clusteronderwijs in het bijzonder geldt, zijn er leerlijnen en uitstroomprofielen opgesteld waaraan een leerling moet voldoen. Op grond hiervan kunnen de gebruikersprofielen voor de onderscheiden doelgroepen worden opgesteld.

In generieke zin zijn de onderstaande vier profielen te onderscheiden:

  1. blind/slechtziend
  2. doof/slechthorend/ernstige spraak- en/of taalmoeilijkheden
  3. lichamelijke en/of geestelijke beperkingen
  4. gedrags- en/of psychiatrische stoornissen

Het voorstel is om bij ieder profiel een checklist te maken die aansluit bij de vaardigheden en copingstrategie van de gebruiker.

4.2.4 DEduLes-richtlijnen en het ontwerpen van lesmateriaal

Om de DEduLes-richtlijnen richtlijnen toe te spitsen naar het ontwerpen van lesmateriaal voor de digitale leeromgeving worden de inzichten van gangbare theorieën toegepast. Het gaat om de Generative Theory en de Cognitive theory of Multimedia learning (zie bijlage 6).

Vanuit de generatieve theorie zijn drie principes belangrijk opdat lerenden de leeropbrengsten in een bepaalde leertijd kunnen realiseren:

  1. Laat overbodige informatie weg
  2. Voorkom zoeken op een scherm
  3. Benut gesproken tekst bij animaties

In de cognitive theory of multimedia learning wordt voor het krijgen en verwerken van informatie onderscheid gemaakt tussen het visuele en auditieve kanaal. Het uitgangspunt is om beide kanalen gelijkwaardig te belasten. Voor de lerende is het van belang dat:

  1. enkel relevante informatie in woord en beeld wordt aangeboden
  2. beide kanalen benut worden en wel zodanig dat ze gelijk belast worden
  3. de informatie via beide kanalen in samenhang wordt aangeboden
  4. de informatie aansluit bij de leerbehoefte

Het onderstaande schema toont welke DEduLes-richtlijnen aansluiten bij de drie principes van de generatieve theorie en de vier punten van de cognitive theory of multimedia learning.

De drie principes van de generatieve theorie en de vier punten van de cognitive theory of multimedia learning en welke dedules-richtlijnen daarbij aansluiten
Principes en puntenDEduLes-Richtlijnen
Laat overbodige informatie weg 1, 4, 9
Voorkom zoeken op een scherm 3, 5, 6, 7, 10, 14
Benut gesproken tekst bij animaties 22, 23, 24
Bied enkel relevante informatie in woord en beeld 11, 15, 20, 21
Benut beide kanalen zo dat ze gelijkwaardig belast worden 13, 20
Bied de informatie via beide kanalen in samenhang 18
Zorg dat de informatie aansluit bij de leerbehoefte 8, 11, 12, 16, 17, 19, 21

4.3 Voorbeeld: Tien tips Gebruikersprofiel: blind/slechtziend[8]

In deze paragraaf worden tien tips [9] gegeven waarin de richtlijnen van toegankelijkheid en gebruiksvriendelijkheid gecombineerd worden. Dit gaat uit van het gebruikersprofiel blind/slechtziend, gebaseerd op een generieke doelgroepomschrijving. Deze paragraaf dient als voorbeeld voor de verdere uitwerking van paragraaf 5.2.3.

Doelgroepomschrijving

Leerlingen die blind/slechtziend zijn, gebruiken een screenreader: software die de tekst op het beeldscherm voorleest. Gelukkig hoeven ze niet te wachten tot de hele pagina is voorgelezen. Ze scannen webpagina’s, maar op gehoor in plaats van op zicht. Met het toetsenbord kunnen ze navigeren over de pagina: springend van kopregel naar kopregel of (met de ‘tab’-toets) van link naar link. Of ze laten de screenreader bijvoorbeeld alle links sorteren op alfabet, en lopen daar doorheen. Veel gebruikers stellen een hoge voorleessnelheid (tot wel 300 woorden per minuut!) in om een pagina sneller te kunnen scannen.

Veel blinden gebruiken (ook) een brailleleesregel. Deze worden vaak aanvullend gebruikt op een screenreader, om nauwkeuriger te lezen. Bijvoorbeeld om de spelling te controleren van wat ze hebben getypt. Brailleleesregelgebruikers overzien maar een halve tekstregel tegelijk en missen hierdoor het overzicht van het grotere geheel.

Een deel van de slechtzienden gebruikt een hoog contrast weergave (bijvoorbeeld zwart op geel) om teksten beter te kunnen lezen. Een deel van de slechtzienden gebruikt vergrotingssoftware, die een klein deel van het scherm heel sterk uitvergroot. Omdat mensen die hun pagina met 600% vergroten steeds maar een stukje (1/36e deel) van het scherm zien, is het voor deze gebruikers heel moeilijk om de samenhang van elementen op een pagina te zien.

Een toegankelijke website heeft (bovenin) een code; de zogeheten skiplinks. Met deze hyperlinks – onzichtbaar voor de gemiddelde gebruiker – kunnen gebruikers van een screenreader delen van de pagina overslaan (vandaar ‘skip’) en direct navigeren naar waar bijvoorbeeld het hoofdmenu, de zoekfunctie of juist de content begint.

Informatie in afbeeldingen gaat aan blinden helemaal en aan slechtzienden grotendeels voorbij. Daarom is het goed gebruik die informatie toe te voegen aan het ‘alt’ (alternatief) attribuut van een afbeelding. Wordt de alt-tekst leeg gelaten, dan gaat de screenreader eraan voorbij. Voor decoratieve afbeeldingen is dit juist handig, want anders creëer je alleen maar ruis. Daarentegen worden educatieve ondersteunende afbeeldingen zonder alt-tekst niet gezien!

Tabellen zijn lastig te lezen. Screenreadergebruikers moeten van cel naar cel navigeren om de informatie tot zich te nemen. Door attributen mee te geven aan de rij- en kolomkoppen krijgt de gebruiker gelukkig wel bij iedere beweging binnen de tabel te horen naar welke rij of kolom hij navigeert.

Toetsformulieren invullen kost heel veel tijd. Zowel het lezen, het invullen, het controleren van de invoer als het signaleren van en reageren op foutmeldingen vergen uiterste concentratie en heel veel geduld. Dus tijd!

1. Voorkom ruis op de pagina

  • In veel digitaal lesmateriaal wordt geprobeerd de leerling zoveel mogelijk interessante informatie of functionaliteit(en) aan te bieden. Blinde en slechtziende leerlingen moeten over het algemeen veel meer tijd investeren om te bepalen welke informatie of functionaliteit(en) een pagina bevat. Het kan daarom heel verwarrend zijn als de pagina inhoud bevat die slechts zijdelings gerelateerd is aan het doel van die pagina. Het bemoeilijkt het scannen van de pagina en kan hen zelfs op het verkeerde been zetten.
  • Presenteer zo snel mogelijk de kerninhoud of -functionaliteit. Presenteer de ‘ook interessant’ onderdelen pas daarna of laat deze achterwege.

2. Kopregels (h2, h3): alleen voor paragrafen en secties

  • Veel screenreadergebruikers scannen een webpagina door snel alle (h2) kopregels af te lopen. Daarmee hopen ze alle hoofdparagrafen en belangrijke paginasecties tegen te komen.
  • Gebruik geen kopregels voor titels in een lijst van nieuwsitems. Maak daar gewoon hyperlinks van. Het kost de screenreadergebruiker veel tijd om de pagina te scannen.
  • Vermijd het gebruik van kopregelniveaus 4 en 5 (h4 en h5).
  • Leerlingen met een visuele beperking die sneltoetsen gebruiken om kopregels te scannen, verwachten paragrafen (h2) en hooguit subparagrafen (h3). Zelden is een pagina zo uitgebreid van stof dat daar nog weer kopjes onder nodig heeft. Screenreadergebruikers scannen dan ook zelden of een pagina h4-kopregels bevat. Gebruik h4 en h5 nooit voor andere doeleinden! (bijvoorbeeld lay-out)

3. Links: belangrijkste woord vooraan

Zet in links het belangrijkste woord vooraan. Dit is een algemene usability-aanbeveling, maar voor de specifieke doelgroep is het om een andere reden handig: In sommige screenreaders kun je alle links op een pagina in een alfabetisch gesorteerde lijst laten zetten om zo sneller een bepaalde link te vinden.

4. Veelgebruikte links en afbeeldingen: compact

Skiplinks staan op iedere pagina en worden bij een gemiddeld websitebezoek dus vaak gelezen. Screenreadergebruikers weten precies de functie van deze skiplinks en willen ze zo snel mogelijk kunnen gebruiken. Hou ze kort en zet het belangrijkste woord vooraan.

5. Decoratieve afbeeldingen: geen alt-tekst

Decoratieve afbeeldingen horen in de stylesheet. Maar omdat dit niet altijd mogelijk is, zien we ook regelmatig decoratieve afbeeldingen in de HTML-code staan. Als je dit doet, laat dan de alt-tekst leeg (alt=””).

6. Zoekresultaat: filters achteraan

Veel zoekfuncties hebben tegenwoordig zoekfilters, waarmee je een zoekresultaat kunt verfijnen. Deze filters staan visueel vaak links, rechts of boven de resultatenlijst. Maar zet de filters in de HTML-code achter zoekresultaten. Screenreadergebruikers moeten anders eerst langs alle filters voor ze de zoekresultaten bereiken.

7. Layout: voorspelbaar

  • Consistentie is voor deze leerlingen nog veel belangrijker dan voor andere gebruikers. Het kost hen veel moeite om een willekeurige plek op de pagina te bereiken. Zij moeten er gericht naar op zoek gaan. Of met het toetsenbord, of met vergrotingssoftware.
  • Met een vaste plaatsing van onderdelen en het volgen van conventies help je hen uitermate goed.
    Bijvoorbeeld door de zoekfunctie en lettervergrotingsopties (rechts)bovenin te plaatsen.

8. Gebrek aan context

  • Sommige slechtziende leerlingen moeten zo sterk inzoomen op het beeldscherm, dat ze steeds maar een fragmentje van een pagina zien. Daardoor missen ze veel context.
  • Hiermee rekening houden is een lastige opgave. Maak menulinks voldoende herkenbaar.

9. Tabellen

  • Gebruik tabellen alleen waarvoor ze bedoeld zijn: om relationele informatie te presenteren en niet voor lay-out doeleinden.
  • Presenteer informatie die zich leent voor tabelopmaak in een tabel. Daar kunnen ze sneller doorheen navigeren dan door iets dat eruit ziet als een tabel maar het niet is.
  • Maak de tabel zichtbaar, dus herkenbaar als tabel en voorzie hem van rij- en/of kolomkoppen.
  • Zet de belangrijkste informatie in de eerste kolom.
  • Als een tabel op iedere regel een call-to-action heeft, plaats deze knoppen dan in de meest rechtse kolom.

10. Formulieren en toetsbladen

  • Plaats labels en bijbehorende invoervelden zo dicht mogelijk bij elkaar. Vooral zeer handig voor mensen die inzoomen op het scherm.
  • Formuleer labels zo kort mogelijk. De screenreadergebruiker krijgt via spraak veel informatie; hoe korter het commando, hoe beter het is.
  • Verplichte velden worden vaak aangeduid met een *. Gebruik hiervoor het liefst een afbeelding van een asterisk, met de alt-tekst ‘verplicht veld’. Niet alleen geeft deze alt-tekst meer informatie dan een asterisk, maar screenreaders worden door gebruikers vaak ingesteld op “geen leestekens en overige tekens voorlezen” vanwege snelheidswinst bij het lezen.
  • Geef naast visuele feedback als het formulier een invoerfout bevat, bijvoorbeeld door het betreffende invoerveld een rood dikker kader te geven, een tekstmelding welke fout is opgetreden.
  • Als na het verzenden van een formulier een foutmelding wordt weergegeven, vermeld die foutmelding dan ook in de paginatitel. Zo weet een screenreadergebruiker meteen wat er aan de hand is.
  • Vermijd vooringevulde velden. Screenreader-gebruikers hebben vaak niet in de gaten dat er al een standaardwaarde of een invoerhint staat. En als je het toch toepast: zorg dan dat de tekst automatisch wordt geselecteerd zodra het invoerveld de focus krijgt. Dan hoeft hij de vooringevulde tekst niet eerst weg te halen, maar wordt die vanzelf verwijderd bij het typen.
  • Als klas en groeps- of leerlingnummer in 2 achter elkaar geplaatste velden ingevoerd moeten worden, voorzie dan elk veld van een eigen label. Dit geeft het beste overzicht met zowel screenreader als vergrotingssoftware.
  • Zorg dat je met de pijltjestoetsen door een uitklaplijst (dropdown box) kunt bladeren
    Vermijd captcha’s. Zeer ervaren screenreadergebruikers hebben een tool om captcha’s te kunnen oplossen.


Bijlage 1 WCAG 2.0 / Webrichtlijnen 2

Principes en richtlijnen van WCAG 2.0 / Webrichtlijnen 2
Nr.Principes en RichtlijnenEffect op doelgroep [10]Prioriteit [11]
1Waarneembaar    
1.1 Lever tekstalternatieven voor alle niet-tekstuele content, zodat die veranderd kan worden in andere vormen die mensen nodig hebben, zoals grote letters, braille, spraak, symbolen of eenvoudiger taal    
1.1.1 Niet-tekstuele content: Alle niet-tekstuele content die aan de gebruiker wordt gepresenteerd, heeft een tekstalternatief dat een gelijkwaardig doel dient, behalve voor de hierna vermelde situaties. (Niveau A)   A
1.2 Lever alternatieven voor op tijd gebaseerde media.    
1.2.1 Louter-geluid en louter-videobeeld (vooraf opgenomen): Voor media met vooraf opgenomen louter-geluid en vooraf opgenomen louter-videobeeld is het volgende waar, behalve als de audio of video een media-alternatief voor tekst is en duidelijk als zodanig is gelabeld. (Niveau A)   A
1.2.2 Ondertiteling voor doven en slechthorenden (vooraf opgenomen): Er worden ondertitels voor doven en slechthorenden geleverd voor alle vooraf opgenomen audiocontent in gesynchroniseerde media, behalve als het mediabestand een media-alternatief is voor tekst en duidelijk als zodanig is gelabeld. (Niveau A)   A
1.2.3 Audiodescriptie of media-alternatief (vooraf opgenomen): Er wordt een alternatief voor op tijd gebaseerde media of audiodescriptie van de vooraf opgenomen videocontent geleverd voor gesynchroniseerde media, behalve als het mediabestand een media-alternatief is voor tekst en duidelijk als zodanig is gelabeld. (Niveau A)   A
1.2.4 Ondertitels voor doven en slechthorenden (live): Er worden ondertitels voor doven en slechthorenden geleverd voor alle live audiocontent in gesynchroniseerde media. (Niveau AA)   AA
1.2.5 Audiodescriptie (vooraf opgenomen): Er wordt een audiodescriptie geleverd voor alle vooraf opgenomen videocontent in gesynchroniseerde media. (Niveau AA)   AA
1.2.6 Gebarentaal (vooraf opgenomen): Er wordt een gebarentaalvertolking geleverd voor alle vooraf opgenomen audiocontent in gesynchroniseerde media. (Niveau AAA)   AAA
1.2.7 Verlengde audiodescriptie (vooraf opgenomen): Waar pauzes in voorgrondgeluid onvoldoende zijn om audiodescripties toe te passen om de boodschap van de video over te brengen, wordt een verlengde audiodescriptie geleverd voor alle vooraf opgenomen videocontent in gesynchroniseerde media. (Niveau AAA)   AAA
1.2.8 Mediumalternatief (vooraf opgenomen): Er wordt een alternatief voor op tijd gebaseerde media geleverd voor alle vooraf opgenomen gesynchroniseerde media en voor alle vooraf opgenomen louter-videobeeld media. (Niveau AAA)   AAA
1.2.9 Louter-geluid (live): Er wordt een alternatief voor op tijd gebaseerde media geleverd dat equivalente informatie presenteert voor live louter-geluid content . (Niveau AAA)   AAA
1.3 Creëer content die op verschillende manieren gepresenteerd kan worden (bijvoorbeeld eenvoudiger lay-out) zonder verlies van informatie of structuur.    
1.3.1 Info en relaties: Informatie, structuur, en relaties overgebracht door presentatie kunnen door software bepaald worden of zijn beschikbaar in tekst. (Niveau A)   A
1.3.2 Betekenisvolle volgorde: Als de volgorde waarin content wordt gepresenteerd van invloed is op zijn betekenis, kan een betekenisvolle leesvolgorde door software bepaald worden. (Niveau A)   A
1.3.3 Zintuiglijke eigenschappen: Instructies die geleverd worden om content te begrijpen en te bedienen zijn niet alleen afhankelijk van zintuiglijke eigenschappen van componenten zoals vorm, omvang, visuele locatie, oriëntatie of geluid. (Niveau A)   A
1.4 Maak het voor gebruikers gemakkelijker om content te horen en te zien, waaronder scheiding van voorgrond en achtergrond.    
1.4.1 Gebruik van kleur: Kleur wordt niet als het enige visuele middel gebruikt om informatie over te brengen, een actie aan te geven, tot een reactie op te roepen of een visueel element te onderscheiden. (Niveau A)   A
1.4.2 Geluidsbediening: Als een geluidsweergave op een webpagina automatisch meer dan 3 seconden speelt, is er of een mechanisme beschikbaar om de geluidsweergave te pauzeren of te stoppen, of er is een mechanisme beschikbaar om het geluidsvolume onafhankelijk van het overall systeemvolume te regelen. (Niveau A)   A
1.4.3 Contrast (minimum): De visuele weergave van tekst en afbeeldingen van tekst heeft een contrastverhouding van ten minste 4,5:1, behalve in de volgende gevallen: zie voetnoot (Niveau AA) [12]   AA
1.4.4 Herschalen van tekst: Behalve voor ondertitels voor doven en slechthorenden en afbeeldingen van tekst, kan tekst zonder hulptechnologie tot 200 procent schalen zonder verlies van content of functionaliteit. (Niveau AA)   AA
1.4.5 Afbeeldingen van tekst: Als de gebruikte technologieën de visuele weergave tot stand kunnen brengen, wordt tekst gebruikt in plaats van afbeeldingen van tekst om informatie over te brengen, m.u.v. voetnoot (Niveau AA)   AA
1.4.6 Contrast (versterkt): De visuele weergave van tekst en afbeeldingen van tekst heeft een contrastverhouding van ten minste 7:1, muv voetnoot (Niveau AAA)   AAA
1.4.7 Weinig of geen achtergrondgeluid: Voor vooraf opgenomen louter-geluidcontent die (1) voornamelijk spraak op de voorgrond bevat, (2) geen geluids-CAPTCHA of audiologo is, en (3) geen vocalisatie is die primair bedoeld is als muzikale expressie zoals zingen of rappen, is ten minste een van de volgende zaken waar: (Niveau AAA)   AAA
1.4.8 Visuele weergave: Voor de visuele weergave van tekstblokken is een mechanisme beschikbaar om het volgende te realiseren: (Niveau AAA)   AAA
1.4.9 Afbeeldingen van tekst (geen uitzondering): Afbeeldingen van tekst worden alleen puur decoratief gebruikt, of daar waar een specifieke weergave van tekst essentieel is voor de informatie die wordt overgebracht. (Niveau AAA)   AAA
2Bedienbaar    
2.1 Maak alle functionaliteit beschikbaar vanaf een toetsenbord.    
2.1.1 Toetsenbord: Alle functionaliteit van de content is bedienbaar via een toetsenbordinterface zonder dat afzonderlijke toetsaanslagen aan tijd gebonden zijn, behalve als de onderliggende functie een invoer vereist die afhangt van het pad dat de gebruiker aflegt en niet alleen van de eindpunten. (Niveau A)   A
2.1.2 Geen toetsenbordval: Als de toetsenbordfocus met de toetsenbordinterface verplaatst kan worden naar een component van de pagina, dan kan de focus ook met alleen de toetsenbordinterface weer van dat component weg worden bewogen, en, als er meer nodig is dan de standaard pijl- of tabtoetsen of andere standaard methoden om de focus te verplaatsen, dan wordt de gebruiker geïnformeerd over de manier waarop de focus kan worden verplaatst. (Niveau A)   A
2.1.3 Toetsenbord (geen uitzondering): Alle functionaliteit van de content is bedienbaar via een toetsenbordinterface zonder specifieke timing te vereisen voor de individuele toetsaanslagen. (Niveau AAA)   AAA
2.2 Geef gebruikers voldoende tijd om content te lezen en gebruiken.    
2.2.1 Timing aanpasbaar: Voor elke tijdslimiet die door de content wordt ingesteld geldt ten minste een van de volgende zaken: (Niveau A)   A
2.2.2 Pauzeren, stoppen, verbergen: Voor alle bewegende, knipperende, scrollende of automatisch actualiserende informatie gelden alle volgende zaken: (Niveau A)   A
2.2.3 Geen timing: Timing is geen essentieel onderdeel van de gebeurtenis of activiteit die door de content wordt weergegeven, behalve voor niet-interactieve gesynchroniseerde media en real-time gebeurtenissen. (Niveau AAA)   AAA
2.2.4 Onderbrekingen: Onderbrekingen kunnen uitgesteld of uitgezet worden door de gebruiker, behalve onderbrekingen die met een noodsituatie samenhangen. (Niveau AAA)   AAA
2.2.5 Herauthentisering: Als een geauthentiseerde sessie verloopt, kan de gebruiker na herauthentisering de activiteit zonder gegevensverlies voortzetten. (Niveau AAA)   AAA
2.3 Ontwerp geen content op een manier waarvan bekend is dat die toevallen veroorzaakt.    
2.3.1 Drie flitsen of beneden drempelwaarde: Webpagina's bevatten niets wat meer dan drie keer flitst in enige periode van één seconde of de flits is beneden de algemene flits- en rodeflitsdrempelwaarden. (Niveau A)   A
2.3.2 Drie flitsen: Webpagina's bevatten niets wat meer dan drie keer flitst in enige periode van één seconde. (Niveau AAA)   AAA
2.4 Lever manieren om gebruikers te helpen navigeren, content te vinden en te bepalen waar ze zijn.    
2.4.1 Blokken omzeilen: Er is een mechanisme beschikbaar om blokken content die op meerdere webpagina's worden herhaald te omzeilen. (Niveau A)   A
2.4.2 Paginatitel: Webpagina's hebben titels die het onderwerp of doel beschrijven. (Niveau A)   A
2.4.3 Focus volgorde: Als een webpagina sequentieel genavigeerd kan worden en de navigatiesequenties hebben invloed op de betekenis of het gebruik, dan krijgen focusbare componenten de focus in de juiste volgorde waardoor betekenis en bedienbaarheid behouden blijft. (Niveau A)   A
2.4.4 Linkdoel (in context): Het doel van elke link kan bepaald worden uit enkel de linktekst of uit de linktekst samen met zijn door software bepaalde linkcontext, behalve daar waar het doel van de link een dubbelzinnige betekenis zou kunnen hebben voor gebruikers in het algemeen. (Niveau A)   A
2.4.5 Meerdere manieren: Er is meer dan één manier beschikbaar om een webpagina binnen een verzameling webpagina's te vinden, behalve wanneer de webpagina het resultaat is van, of een stap in, een proces. (Niveau AA)   AA
2.4.6 Koppen en labels: Koppen en labels beschrijven het onderwerp of doel. (Niveau AA)   AA
2.4.7 Focus zichtbaar: Elke gebruikersinterface die met een toetsenbord te bedienen is, heeft een bedieningswijze waarbij de indicator van de toetsenbordfocus zichtbaar is. (Niveau AA)   AA
2.4.8 Locatie: Informatie over de locatie van de gebruiker binnen een verzameling webpagina's is beschikbaar. (Niveau AAA)   AAA
2.4.9 Linkdoel (alleen link): Er is een mechanisme beschikbaar waarmee het doel van elke link bepaald kan worden op basis van alleen de linktekst, behalve waar het doel van de link dubbelzinnig voor gebruikers in het algemeen zou zijn. (Niveau AAA)   AAA
2.4.10 Paragraafkoppen: Paragraafkoppen worden gebruikt om de content te structureren. (Niveau AAA)   AAA
3Begrijpelijk    
3.1 Maak tekst content leesbaar en begrijpelijk.    
3.1.1 Taal van de pagina: De standaard menselijke taal van elke webpagina kan door software bepaald worden. (Niveau A)   A
3.1.2 Taal van onderdelen: De menselijke taal van elke passage of zin in de content kan door software bepaald worden, behalve waar het gaat om eigennamen, technische termen, woorden van onbepaalde taal en woorden of zinsdelen die deel zijn gaan uitmaken van het jargon van de onmiddellijk omringende tekst. (Niveau AA)   AA
3.1.3 Ongebruikelijke woorden: Er is een mechanisme beschikbaar voor de identificatie van specifieke definities van woorden of zinsdelen die op een ongebruikelijke of beperkte manier gebruikt worden, inclusief idiomatische uitdrukkingen en jargon. (Niveau AAA)   AAA
3.1.4 Afkortingen: Er is een mechanisme beschikbaar voor de identificatie van de voluit geschreven vorm of betekenis van afkortingen. (Niveau AAA)   AAA
3.1.5 Leesniveau: Als tekst, nadat eigennamen en titels verwijderd zijn, een leesvaardigheid vereist die hoger is dan het niveau van drie jaar middelbaar onderwijs, dan is aanvullende content beschikbaar, of er is een versie beschikbaar die geen leesvaardigheid vereist die hoger is dan van drie jaar middelbaar onderwijs. (Niveau AAA)   AAA
3.1.6 Uitspraak: Een mechanisme is beschikbaar voor het vaststellen van de specifieke uitspraak van woorden indien de betekenis van de woorden in de context dubbelzinnig is zonder kennis van de uitspraak. (Niveau AAA)   AAA
3.2 Maak het uiterlijk en de bediening van webpagina's voorspelbaar.    
3.2.1 Bij focus: Als een component de focus krijgt, dan veroorzaakt dat geen contextwijziging. (Niveau A)   A
3.2.2 Bij input: Verandering van de instelling van een component van de gebruikersinterface veroorzaakt niet automatisch een contextwijziging tenzij de gebruiker geïnformeerd is over het gedrag vóór het gebruik van dit component. (Niveau A)   A
3.2.3 Consistente navigatie: Navigatiemechanismen, die op meerdere webpagina's binnen een verzameling webpagina's herhaald worden, komen elke keer dat ze worden herhaald in dezelfde relatieve volgorde voor, tenzij een verandering wordt geïnitieerd door de gebruiker. (Niveau AA)   AA
3.2.4 Consistente identificatie: Componenten die dezelfde functionaliteit hebben binnen een verzameling webpagina's worden consistent geïdentificeerd. (Niveau AA)   AA
3.2.5 Verandering op verzoek: Contextwijzigingen worden alleen geïnitieerd op verzoek van de gebruiker of er is een mechanisme beschikbaar om zulke veranderingen uit te zetten. (Niveau AAA)   AAA
3.3 Help gebruikers om fouten te vermijden en ze te verbeteren.    
3.3.1 Fout identificatie: Als een invoerfout automatisch ontdekt wordt, dan wordt het onderdeel waar de fout zit geïdentificeerd en de fout wordt tekstueel aan de gebruiker meegedeeld. (Niveau A)   A
3.3.2 Labels of instructies: Als de content gebruikersinvoer vereist, dan worden labels of instructies geleverd. (Niveau A)   A
3.3.3 Foutsuggestie: Als een invoerfout automatisch ontdekt wordt en suggesties voor verbetering bekend zijn, dan worden de suggesties aan de gebruiker geleverd, tenzij dit de beveiliging of het doel van de content in gevaar zou brengen. (Niveau AA)   AA
3.3.4 Foutpreventie (wettelijk, financieel, gegevens): Voor webpagina's die wettelijke verplichtingen of financiële transacties voor de gebruiker uitvoeren, die, door de gebruiker te beheren gegevens in gegevensopslagplaatsen verwijderen of wijzigen, of die antwoorden van de gebruiker verzenden, geldt ten minste één van de volgende zaken: (Niveau AA)
Annuleerbaar, Gecontroleerd of Bevestigd
  AAA
4Robuust    
4.1 Maximaliseer compatibiliteit met huidige en toekomstige user agents, met inbegrip van hulptechnologieën.    
4.1.1 Parsen: In content die geïmplementeerd is met opmaaktalen hebben elementen volledige begin- en eindtags, zijn elementen genest volgens hun specificatie, bevatten elementen geen dubbele attributen en zijn alle ID's uniek, behalve waar de specificatie deze eigenschappen toelaat. (Niveau A)   A
4.1.2 Naam, rol, waarde: Voor alle componenten van de gebruikersinterface (inclusief, maar niet uitsluitend voor formulierelementen, links en door scripts gegenereerde componenten), kunnen de naam ( name) en rol (role), door software bepaald worden; toestanden (states), eigenschappen (properties) en waarden (values) die door de gebruiker ingesteld kunnen worden kunnen door software bepaald worden; en kennisgeving van veranderingen in deze items is beschikbaar voor user agents, met inbegrip van hulptechnologieën. (Niveau A)   A

Bijlage 2 Bij paragraaf 1.2 betrokken partijen

Bij de ontwikkeling van digitaal educatief lesmateriaal is altijd een aantal partijen/personen betrokken. In de praktijk blijkt dat er een team van diverse disciplines samenwerkt aan de totstandkoming en implementatie van digitaal lesmateriaal. En vaak is onduidelijk wie verantwoordelijk is voor het toepassen van de DEduLes-richtlijnen. Om die verantwoordelijkheid goed te kunnen beleggen, wordt per partij/persoon kort aangeven wat ieders specifieke verantwoordelijkheid is. In dit hoofdstuk beperken we ons tot zes partijen, namelijk de opdrachtgever, de webontwikkelaar, de webredacteur, de educatief en didactisch ontwikkelaar, afgekort tot eddi-ontwikkelaar en de gebruikers; leerkrachten en leerlingen.

Schema Context van de Educatieve contentketen, ECK
Context van de Educatieve contentketen, ECK[13]

Sla beschrijving van Schema Context van de Educatieve contentketen over
De Educatieve Contentketen (ECK) richt zich op vindbare, toegankelijke en bruikbare content. In het schema worden relaties met bredere maatschappelijke doelen gelegd, en wordt de context van de Educatieve Contentketen getoond. Die bestaat uit het onderwijsveld, de overheid, de maatschappij en de markt.

  • Onderwijsveld: Doelen: passend, effectief, aantrekkelijk, efficiënt en betaalbaar onderwijs. Kernzin: 'meer voor minder'. Betrokken partijen: onderwijsinstellingen.
  • De overheid: Doelen: verdere professionalisering, opbrengstgevend werken, excellentie, Nederland in de top-5 van de kenniseconomie, ambitieuze leercultuur. Kernzin: 'Naar een ambitieuze leercultuur'. Betrokken partijen: Nederlandse overheid, OCW.
  • De maatschappij: Toenemende vraag naar meer specialisten, bredere variatie, betere kwaliteit. Kernzin: 'toenemende maatschappelijke complexiteit'. Betrokken partijen: de maatschappij.
  • De markt: Doelen: hogere kwaliteit, gunstige kosten-baten verhouding, grotere impact. Kernzin: 'Verleiden met realistische business cases'. Betrokken partijen: content aanbieders.

In het schema worden relaties gelegd tussen de Educatieve Contentketen en de vragen vanuit de maatschappij, de doelen van onderwijsinstellingen en content aanbieders, en die van de overheid.

Van alle betrokken partijen wordt verwacht dat zij in generieke zin op de hoogte zijn van de DEduLes-richtlijnen. Deze richtlijnen bevatten de basiseisen van toegankelijkheid waaraan per 1 januari 2013 alle Rijksoverheden, medeoverheden, ZBO en leveranciers aan deze (semi)overheden moeten voldoen. Daarmee zijn de DEduLes-richtlijnen minder vrijblijvend dan wellicht vaak wordt gedacht.

Van de webontwikkelaar, webredacteur en eddi-ontwikkelaar wordt verwacht dat zij bevoegd en bekwaam zijn om heel specifiek de DEduLes-richtlijnen tijdens de ontwikkeling op de juiste manier toe te passen, te combineren en te beheren.

De opdracht en het eindresultaat zoals dat uiteindelijk aan de gebruiker wordt aangeleverd, is de verantwoordelijkheid van de opdrachtgever. In dit document is dat de uitgeverij. De uitgeverij is namelijk formeel aansprakelijk.

De opdrachtgever, de uitgeverij

Het is van belang dat de directie van de uitgeverij een standpunt inneemt over de stappen die genomen moeten worden om de DEduLes-richtlijnen in de eigen organisatie en in de opdrachtverstrekking aan externe partijen bij iedere productie op te nemen en materiaal op te leveren dat aantoonbaar aan deze richtlijnen voldoet. Een handvat hiertoe is opgenomen in bijlage 5.

De webontwerper

De webontwerper is ervoor verantwoordelijk om in het ontwerp rekening te houden met alle DEduLes-richtlijnen. De ontwerper is als eerste verantwoordelijk voor de toepassing van die richtlijnen die gaan over:

  • Volgorde van informatie
  • Navigatie en interactie
  • Ontwerp van adequate signaleringen
  • Kleurkeus en -toepassing

De webontwikkelaar

De webontwikkelaar is ervoor verantwoordelijk om voor essentiële eigenschappen rekening te houden met alle DEduLes-richtlijnen. De webontwikkelaar is als eerste verantwoordelijk voor de toepassing de riichtlijnen die betrekking hebben op:

  • Correct scheiding van inhoud, opmaak en interactie
  • Juist gebruik van de beschikbare elementen
  • Een logisch samenhangende lees/kijk structuur
  • Een content management systeem dat voorkomt dat een redacteur onjuist content plaatst

De eddi-ontwikkelaar

De eddi-ontwkkelaar is ervoor verantwoordelijk om bij de ontwikkeling van leerobjecten rekening te houden met alle DEduLes-richtlijnen. De eddi-ontwikkelaar is als eerste verantwoordelijk om voor het vak- vormingsgebied aan te geven voor welk niveau het leerobject wordt ontwikkeld. Over leerobjecten en adaptief onderwijs is veel gepubliceerd. Voor de eddi-ontwikkelaar sluiten we voor de beschrijving en het niveau aan bij aan bij de indeling van de handleiding kwaliteit digitaal leermateriaal. [14]

Indeling van de handleiding kwaliteit digitaal leermateriaal
NiveauOnderdeelBeschrijving
1 Fragment Een fragment: geen didactische inhoudelijke context
2 Informatieobject of toets Meer dan een fragment: geen didactische context, wel een inhoudelijke context
3 Leereenheid Verschillende onderdelen van niveau 2 met een didactische context
4 Module/cursus die leidt tot certificaat Bestaat uit verschillende gerangschikte leerobjecten van een lager niveau

De webredacteur

De webredacteur is ervoor verantwoordelijk om voor alle content rekening te houden met alle DEduLes-richtlijnen. De webredacteur is als eerste verantwoordelijk voor de toepassing van die richtlijnen die gaan over:

  • Het correct plaatsen van de content, volgorde en structuur en begripsgebruik
  • Samenhang tussen woord- en beeldgebruik en beschrijvingen
  • Het voorkomen van automatisch beeld- en geluidgebruik
  • Taalniveau en -gebruik

De gebruikers

Docenten en leerlingen met en zonder functiebeperking zijn tijdens de test en try-outfase van het lesmateriaal van groot belang. Zij kunnen op grond van hun kennis, vaardigheden en ervaring aangeven wat nuttig en functioneel is en of er gemakkelijk mee te werken is. Bijvoorbeeld: kunnen de opdrachten zelfstandig worden gemaakt, opgeslagen, nagekeken? Het is van belang dat deze inbreng in het ontwikkeltraject wordt ingepland zodat aanpassingen eenvoudig zijn door te voeren.

Docenten dienen bij de keus van het digitale lesmateriaal rekening te houden met de uitgangpunten van de EDuLes-richtlijnen:

  • is het materiaal voor alle leerlingen op een gelijkwaardige manier te gebruiken
  • is het aantrekkelijk qua inhoud en vorm
  • heeft het lesmateriaal een keurmerk

Let wel: Voor het aanschaffen van het digitale lesmateriaal is vaak een schooldirectie betrokken.


Bijlage 3 Toegankelijkheid van Native Apps

Toegankelijkheid van native apps is in veel gevallen geregeld door de fabrikanten en leveranciers. Voorbeelden van toegankelijkheid voor native platformen zijn. Er zijn grote verschillen in de toegankelijkheid en ondersteuning daarvan. Die zijn meestal afhankelijk van de versie van de besturingssoftware. Een aantal voorbeelden zijn:

Er is veel achtergrond lectuur op het web aanwezig die meer uitleg geeft.


Bijlage 4 Nuttige links

Nuttige links:

U.S. Dept. of Health and Human Services. The Research-Based Web Design & Usability Guidelines, Enlarged/Expanded edition. Washington: U.S. Government Printing Office, 2006.

Throughout your Web design or redesign project, you should take advantage of what is already known about best practices for each step of the process. The Research-Based Web Design and Usability Guidelines, compiled through an extensive process of research and review, bring you those best practices. Bron: http://www.usability.gov/guidelines/guidelines_book.pdf


Bijlage 5 Concept Inkoopvoorwaarden

DE PARTIJEN:

  1. De uitgever als opsteller van het offerteverzoek waar deze inkoopvoorwaarden onderdeel van uitmaken, vertegenwoordigd door de persoon zoals vastgelegd in het offerteverzoek, verder te noemen: de “Uitgever”, en
  2. De partij die middels een offerte reageert op het offerteverzoek van de uitgever, vertegenwoordigd door de persoon zoals vastgelegd in de offerte, verder te noemen: de “Leverancier”,

OVERWEGENDE:

A. Dat digitale educatieve materialen moeten voldoen aan de set richtlijnen voor de toegankelijkheid en gebruiksvriendelijkheid van Digitaal Educatief Lesmateriaal, hierna te noemen DEduLes-richtlijnen.

VERKLAREN IN TE STEMMEN MET:

Artikel 1 Begrippen

  • 1.1 DEduLes-richtlijnen: bevatten de volledige set van WCAG richtlijnen versie 2.0 zoals vastgelegd op http://www.w3.org/Translations/WCAG20-nl/;
  • 1.2 Product: de door de Leverancier aangeboden oplossing,

Artikel 2 Voorwerp van de overeenkomst

  • 2.1 Het product van de Leverancier voldoet aan de DEduLes-richtlijnen
  • 2.2 Het totale resultaat van het product, waaronder ook tekst, formulieren, afbeeldingen, interactie, functionaliteit, kaartmateriaal, video, social media integratie, voldoet aan de DEduLes-richtlijnen.
  • 2.3 In geval van contentcreatie of contentmutatie middels het product, faciliteert het product het voldoen aan de DEduLes-richtlijnen en vormt het hiertoe geen belemmering.

Artikel 3 Schriftelijke verklaring

  • 3.1 Leverancier geeft binnen de gestelde offertetermijn schriftelijk aan of zijn Product voldoet aan de DEduLes-richtlijnen. Beantwoording van de Leverancier kan enkel “Ja” of “Nee” zijn. Voorbehouden of antwoorden als "Ja, mits...", dan wel "Nee, tenzij...", gelden in dit verband als "Nee".
  • 3.2 Indien Leverancier binnen de gestelde offertetermijn geen schriftelijke reactie verstrekt zoals bedoeld onder artikel 3.1, maar wel offreert naar aanleiding van het offerteverzoek van de Uitgever, dan verklaart Leverancier hiermee dat zijn Product voldoet aan DEduLes-richtlijnen zoals genoemd in artikel 2.
  • 3.3 Door leverancier opgestelde aanvullende of algemene voorwaarden bieden geen uitzonderingskader voor de schriftelijke verklaring dan wel het moeten voldoen aan de Richtlijnen voor toegankelijkheid.

Artikel 4 Toetsing

  • 4.1 In geval van gunning:
    • A. Leverancier laat zelfstandig toetsing op DEduLes-richtlijnen uitvoeren door een onafhankelijke keuringsinstantie wanneer het Product technisch gereed is voor gebruik door de Uitgever.
    • B. Herstelwerkzaamheden die volgen uit de toetsing dienen voor de opleverdatum te zijn afgerond inclusief eventuele herkeuring.
    • C. Toetsing, hertoetsing en herstelwerkzaamheden en verwante kosten vallen binnen de opdracht.
    • D. Het rapport van de toetsing en eventuele hertoetsing is eigendom van de Uitgever.
    • E. Indien ten tijde van oplevering wordt geconstateerd dat het Product niet voldoet aan de eisen zoals benoemd in artikel 2, is de Leverancier in verzuim en behoudt de Uitgever zicht het recht voor het vervolmaken van de opdracht in handen te geven van een partij die in staat is de opdracht conform de overeenkomst op te leveren. In dat geval wordt de bestaande overeenkomst met Leverancier ontbonden en worden de door Uitgever alsdan te maken kosten op Leverancier verhaald.

Bijlage 6 Ontwerp principes en usability richtlijnen

Ontwerpprincipes van R.E. Mayer

Afhankelijk van het boek/artikel, stelt Mayer 5 of meer principes voor [15].

De eerste vier principes die vermeld worden, komen standaard voor in zijn werk. De andere 5 principes (5 - 9), zijn ook van de hand van Mayer, maar worden niet telkens vermeld.

  1. Multimedia principle

    'Werk met woorden én corresponderende figuren, eerder dan met woorden alleen'.
    Mayer raadt hier aan om met twee voorstellingswijzen te werken in plaats van met één. Lerenden zullen namelijk beter presteren (transfer) wanneer ze zowel de woorden als de overeenkomstige figuren krijgen aangeboden dan wanneer ze enkel de woorden zouden krijgen. Ze krijgen zo namelijk de mogelijkheid om twee verschillende mentale voorstellingen te maken, waar ze connecties tussen kunnen leggen.

  2. Contiguity principle

    'Stel corresponderende woorden en figuren op elkaar volgend voor, in plaats van gescheiden van elkaar.'
    De corresponderende woorden en afbeeldingen moeten gelijktijdig in het werkgeheugen aanwezig zijn om de link tussen beiden te faciliteren. De transfer van de lerende zal zo bevorderd worden. Dit principe omvat het 'spatial contiguity principle' en het 'temporal contiguity principle'.

    Het spatial contiguity principle geeft aan dat het beter is om woorden en hierbij horende afbeeldingen dichtbij elkaar te plaatsen, in plaats van verder uit elkaar gelegen.
    Het temporal contiguity principle duidt op een temporeel samen voorkomen van woorden en hierbij horende afbeeldingen. Men kan deze beter gelijktijdig aanbieden dan op verschillende tijdstippen.

  3. Individual differences principle

    Mayer geeft met dit principe aan dat de twee bovenstaande principes, alsook het split-attention principle, belangrijker zijn voor 'low-knowledge learners' dan voor 'high-knowledge learners', en voor 'high-spatial learners' dan voor 'low-spatial learners'.

    Lerenden met een lage spatial capaciteit hebben het moeilijker om meerdere informatiegegevens met elkaar te linken wanneer deze niet in elkaars nabijheid worden aangeboden. Men houdt bij deze lerenden dus zeker best rekening met het spatial contiguity principle.

    ' High-knowledge learners' beschikken over een grote voorkennis. Door deze voorkennis kunnen ze makkelijker hun eigen mentale voorstellingen maken als ze luisteren naar een voorstelling óf als ze een tekst lezen. Een gelijktijdige aanbieding van auditieve en visuele informatie is voor hen dus niet echt nodig. Lerenden met een beperkte voorkennis hebben het hier echter moeilijker mee. Het is voor hen dus eens zo belangrijk dat voldaan wordt aan het temporal contiguity principle.

  4. Coherence principle

    Dit principe raadt ontwerpers aan om niet teveel (irrelevante) woorden of afbeeldingen te gebruiken bij een presentatie.
    Lerenden leren namelijk beter van een samenhangende samenvatting waar relevante woorden en afbeeldingen centraal gesteld worden, dan van een lange samenvatting. De extra informatie kan het werkgeheugen overbelasten waardoor de connecties tussen het visuele en het auditieve moeilijker gelegd zouden kunnen worden. De focus van de lerenden kan zo ook verschoven worden naar de eerder irrelevante aspecten van de informatie. Door een korte (relevante) samenvatting wordt de lerende daarentegen gestimuleerd om de relevante informatie te selecteren en te organiseren.

  5. Split attention principle

    'Woorden kunnen best auditief voorgesteld worden, in plaats van visueel.'
    Lerenden die een animatie bekijken terwijl ze ook luisteren naar enige uitleg hierbij, gaan beter presteren dan lerenden die dezelfde animatie zien terwijl ze de overeenkomstige tekst visueel op een scherm kunnen lezen. De combinatie van de animatie en de visuele tekst kan het werkgeheugen namelijk overbelasten. Het is daarom beter om een auditieve toelichting te geven bij de animatie, waardoor de binnenkomende informatie door twee verwerkingssystemen behandeld kan worden. Het werkgeheugen delegeert zo het werk over de twee verwerkingssystemen waardoor er van overbelasting niet snel sprake zal zijn.

    Er is hier ook sprake van 'het visual split attention principle' en 'het auditory split attention principle'.

    Het visual split attention principle wijst erop dat men tekst best auditief aanbiedt door een woordelijke toelichting dan visueel op een scherm.
    Het auditory split attention principle geeft aan dat overeenkomstige extra non-verbale auditieve informatie (zoals bv. achtergrondmuziek) best geminimaliseerd kan worden.

  6. Chunking principle

    Dit principe vestigt de aandacht op chunks of segmenten. Het is namelijk beter om visuele en auditieve informatie voor te stellen via korte segmenten dan via langere. Zo wordt het werkgeheugen niet overbelast. De lerende krijgt door de kleinere chunks eerder de mogelijkheid om overeenkomstige visuele en auditieve voorstellingen op hetzelfde moment te maken in zijn werkgeheugen.

  7. Modality principle

    Het modaliteitsprincipe stelt dat diepgaand leren meer gestimuleerd wordt door het aanbieden van spraak en animatie, in plaats van door on-screen text en animatie. Het visuele kanaal zou anders namelijk overbelast kunnen raken als zowel de tekst als afbeeldingen/animatie visueel voorgesteld worden. De lerende zou anders niet meer over voldoende cognitieve capaciteit beschikken om verbindingen te leggen tussen de tekst en de afbeeldingen/animatie.

  8. Redundancy principle

    Dit principe stelt, zoals de voorgaande principes, ook een advies voorop opdat het diepe leren bevorderd zou worden. Het redundancy ('overvloedigheid/overtolligheid') principe stelt dat het beter is om animatie en spraak aan te bieden dan dat men animatie, spraak en on-screen tekst aanbiedt. Net zoals bij het modality principle stelt Mayer dit voorop om het visuele kanaal niet over te belasten. Wanneer men namelijk zowel animatie als on-screen tekst aanbiedt, krijgt het visuele kanaal veel informatie te verwerken. Op deze manier krijgt de lerende minder kans om correspondenties te leggen tussen tekst en afbeeldingen/animatie.

  9. Personalization principle

    Het personalization principe stelt het 'persoonlijke' voorop. Dit wil zeggen dat Mayer er hierbij vanuit gaat dat lerende beter zullen leren van animatie en spraak wanneer dit laatste in een conversatie stijl wordt aangeboden. Een eerder formele stijl is dus te vermijden. Dit wil dus zeggen dat men de lerenden best aanspreekt met 'ik en jij', in plaats van met termen zoals 'u, men,...' De lerenden zullen meer moeite willen doen om de leerstof te begrijpen wanneer ze zich persoonlijk betrokken voelen in het 'gesprek'.

Usability Richtlijnen voor Toegankelijkheid

Internationaal zijn er veel discussies over de toepasbaarheid van richtlijnen voor gebruikersvriendelijkheid. Veel deskundigen kunnen het wel eens worden over een lijst van heuristieken voor gebruikersvriendelijkheid, in een paper beschrijft Alistair Sutcliffe dat het meten van die heuristieken als richtlijn lastiger is [16].

Nielsen’s tien usability heuristics [17] zijn uit 1994. Ze worden overal in de literatuur genoemd. Ze zijn direct toepasbaar op websites en applicaties voor het onderwijs:

  1. Visibility of system status

    The system should always keep users informed about what is going on, through appropriate feedback within reasonable time.

  2. Match between system and the real world

    The system should speak the users' language, with words, phrases and concepts familiar to the user, rather than system-oriented terms. Follow real-world conventions, making information appear in a natural and logical order.

  3. User control and freedom

    Users often choose system functions by mistake and will need a clearly marked "emergency exit" to leave the unwanted state without having to go through an extended dialogue. Support undo and redo.

  4. Consistency and standards

    Users should not have to wonder whether different words, situations, or actions mean the same thing. Follow platform conventions.

  5. Error prevention

    Even better than good error messages is a careful design which prevents a problem from occurring in the first place. Either eliminate error-prone conditions or check for them and present users with a confirmation option before they commit to the action.

  6. Recognition rather than recall

    Minimize the user's memory load by making objects, actions, and options visible. The user should not have to remember information from one part of the dialogue to another. Instructions for use of the system should be visible or easily retrievable whenever appropriate.

  7. Flexibility and efficiency of use

    Accelerators -- unseen by the novice user -- may often speed up the interaction for the expert user such that the system can cater to both inexperienced and experienced users. Allow users to tailor frequent actions.

  8. Aesthetic and minimalist design

    Dialogues should not contain information which is irrelevant or rarely needed. Every extra unit of information in a dialogue competes with the relevant units of information and diminishes their relative visibility.

  9. Help users recognize, diagnose, and recover from errors

    Error messages should be expressed in plain language (no codes), precisely indicate the problem, and constructively suggest a solution.

  10. Help and documentation

    Even though it is better if the system can be used without documentation, it may be necessary to provide help and documentation. Any such information should be easy to search, focused on the user's task, list concrete steps to be carried out, and not be too large.

De eerste 40 usability.gov richtlijnen

In de VS zijn door de Federale overheid meer dan 200 evidence based richtlijnen voor usability opgesteld. Ze zijn bekend als de usability.gov richtlijnen [18]. Internationaal worden ze gezien als toepasbare richtlijnen voor gebruikersvriendelijkheid. De belangrijkste richtlijnen op basis van effectiviteit voor toegankelijkheid en usability op volgorde van belangrijkheid (vanuit het onderzoek) zijn:

NB: Ze zijn in deze versie nog niet gefilterd naar toegankelijkheid.

  1. Provide Useful Content
  2. Establish User Requirements
  3. Understand and Meet User’s Expectations
  4. Involve Users in Establishing User Requirements
  5. Do Not Display Unsolicited Windows or Graphics
  6. Comply with Section 508
  7. Design Forms for Users Using Assistive Technology
  8. Do Not Use Color Alone to Convey Information
  9. Enable Access to the Homepage
  10. Show All Major Options on the Homepage
  11. Create a Positive First Impression of Your Site
  12. Avoid Cluttered Displays
  13. Place Important Items Consistently
  14. Place Important Items at Top Center
  15. Eliminate Horizontal Scrolling
  16. Use Clear Category Labels
  17. Use Meaningful Link Labels
  18. Distinguish Required and Optional Data Entry Fields
  19. Label Pushbuttons Clearly
  20. Make Action Sequences Clear
  21. Organize Information Clearly
  22. Facilitate Scanning
  23. Ensure that Necessary Information is Displayed
  24. Ensure Usable Search Results
  25. Design Search Engines to Search the Entire Site
  26. Set and State Goals
  27. Focus on Performance Before Preference
  28. Consider Many User Interface Issues
  29. Be Easily Found in the Top 30
  30. Increase Web Site Credibility
  31. Standardize Task Sequences
  32. Reduce the User’s Workload
  33. Design For Working Memory Limitations
  34. Minimize Page Download Time
  35. Warn of ’Time Outs’
  36. Display Information in a Directly Usable Format
  37. Format Information for Reading and Printing
  38. Provide Feedback when Users Must Wait
  39. Inform Users of Long Download Times
  40. Develop Pages that will Print Properly

Bijlage 7 Urenbesteding digitalisering lesmateriaal conform DEduLes-richtlijnen

In deze bijlage zijn voorbeelden inclusief de urenbesteding opgenomen van digitalisering van bestaand lesmateriaal en van de toegankelijke opdrachten.

(voorbeelden: Pincode, Wereld in Getallen, toegankelijke opdrachten)

Bij het omzetten van de papieren methode naar dynamische interactieve webpagina’s was er steeds een korte periode van opstarten nodig. Daarbij ging het vooral om afstemming over de precieze hoofdstukken, het begrip van de methode en de opdrachten en het aanmaken van de vormgeving. Na het eerste hoofdstuk ging de omzetting steeds sneller. Dit is mede veroorzaakt doordat in de methoden per hoofdstuk steeds dezelfde opzet of volgorde wordt gevolgd en omdat de vormgeving in het begin het meeste werk kost. Een probleem waar we mee te maken kregen, was dat het papieren boek was omgezet naar een Word-versie. Die Word-versie gebruikte geen grafische bestanddelen maar gaf omschrijvingen voor de blinde leerlingen. In de toegankelijke online versie hebben we echter wel gebruik gemaakt van de grafische bestanddelen. Doel was namelijk om de online versie van de methode zoveel mogelijk te laten lijken op het boek. Er moest dus soms weer terug worden geredeneerd om dicht bij het origineel te blijven en toch een volledig toegankelijke oplossing te bieden.

Afbeelding van een pagina uit de methode PincodeAfbeelding van een webpagina van de volledig toegankelijke online versie van de methode Pincode

De afbeeldingen hierboven tonen een scan van de methode Pincode en de volledig toegankelijke online versie (rechter afbeelding). De online versie ziet er hetzelfde uit als de papieren versie maar voldoet aan alle richtlijnen voor toegankelijkheid zoals in dit document genoemd.

Na een opstart van 120 uur voor de eerste paragraaf van de methode Pincode kostte het de ontwikkelaars nog maar 8 uur om de tweede paragraaf om te zetten naar een toegankelijke webversie die aan de DEduLes-richtlijnen voldoet. Inclusief de controles door de experts, doelgroep zelf en door inspecteurs van stichting Accessibility kostte het resp. 178 uur en daarna 28 uur per hoofdstuk/paragraaf. Die tijd zal voor volgende paragrafen kunnen worden teruggebracht naar tussen 8 en 17 uur per paragraaf. Dat is inclusief het scannen en terugplaatsen van de afbeeldingen, het schrijven van de beschrijvingen voor blinden en slechtzienden, het toevoegen van – voor reguliere leerlingen – onzichtbare aanwijzingen voor blinden en slechtzienden, het testen van het resultaat en het toevoegen van een mogelijkheid om de antwoorden overzichtelijk op te slaan om die bijvoorbeeld aan de docent te versturen of apart na te kunnen kijken.

Als de basis van een hoofdstuk eenmaal was gelegd bleek het vervolgtraject steeds kleiner. Dat is hieronder in de tabel ook zichtbaar.

Urenbesteding digitalisering lesmateriaal conform DEduLes-richtlijnen
ActiviteitBasis
omzetting
(uren)
Controle 
nav EDDA
recepten
(uren)
Didactische,
digitale en
redactionele
controle
Testen
doelgroep 
en experts
(uren)
Testen
Accessibility
(uren)
Definitief
aanpassen
(uren)
Totaal
(uren)
Projectleiding en voorbereiden webomgeving 0 0 0 0 0 0 20
Methode PC eerste paragraaf 120 8 10 8 8 24 178
Methode PC tweede paragraaf 8 4 6 6 2 2 28
Methode WiG taken 143 8 8 8 8 24 199
Methode WiG lessen 8 4 5 6 2 2 27
Eerste 5 toegankelijke opdrachten 32 0 13 0 2 1 48
Vervolg toegankelijke opdrachten (7) 16 0 18 0 2 1 37

Voetnoten